Functioneel Contextualisme: Gedrag in Context

Functioneel Contextualisme: Gedrag in Context

Functioneel Contextualisme: Gedrag in Context

Deze blog is onderdeel van de reeks ‘het RFT-woordenboek‘. RFT staat voor Relational Frame Theory. Dat is een geweldige theorie over hoe taal en ons gedrag samenhangen. RFT kan voor nieuwkomers wat uitdagend zijn om in te komen. Het heeft veel woorden die haast wel een vreemde taal lijken. Daarom zijn deze blogs er, als een soort woordenboek voor RFT. De dikgedrukte woorden in de tekst vind je terug in het woordenboek.

Eerder hebben we gezien dat waarheid afhankelijk kan zijn van je wereldbeeld. Het contextualisme is zo een wereldbeeld. Binnen de psychologie is er een stroming die zich baseert op dit wereldbeeld, genaamd het Functioneel Contextualisme (FC). Het Functioneel Contextualisme is het gedachtegoed waarop de Relational Frame Theory (RFT) en Procesgerichte Interactieve Therapie (PiT) op gebaseerd zijn. In de komende artikelen gaan we dieper in op wat het Functioneel Contextualisme is. In deze blog leg ik je uit hoe het Functioneel Contextualisme gedrag en context ziet en zal ik dieper ingaan op welke plek de therapeut hierin inneemt.

Mocht je het artikel over contextualisme nog niet gelezen hebben, dan is het aan te raden om dat eerst te doen. Klik hier voor het artikel over het contextualisme.

Gedrag in context

Het Functioneel Contextualisme is een vorm van het contextualisme. Het contextualisme is een wereldbeeld wat er vanuit gaat dat alles beschouwd kan worden als een actie in context. De actie en de context zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en vormen samen één geheel. In het artikel over contextualisme hebben we gezien dat van tevoren niet vast staat wat actie is en wat context is. Alles kan in wezen actie of context zijn. De actie is meestal datgene waarin men primair geïnteresseerd in is. De mensen die het functioneel contextualisme bedacht hebben waren wetenschappers en behandelaren in de psychologie, die primair geïnteresseerd waren in het gedrag (van mensen). Zodoende is gedrag de actie en al het overige is context voor het gedrag. Het functioneel contextualisme richt zich dus op gedrag in context. Laten we dit eens bekijken aan de hand van een ons eerdere voorbeeld uit het artikel over het contextualisme: de man in de regen.

Doet een krant boven zijn hoofd (gedrag) in de regen (context)

Iemand loopt in de regen met een krant boven zijn hoofd. Het gedrag van deze persoon is dat hij een krant boven zijn hoofd houdt in de context van de regen. Zoals we eerder bij het contextualisme hebben gezien, zou het heel raar zijn om dit gedrag los te zien de regen. Dan zouden we alleen iemand zien die een krant boven zijn hoofd houdt.

De krant boven het hoofd houden is alleen logisch als we de context meenemen waarin dat gebeurt, namelijk de regen. De krant boven het hoofd houden en de regen vormen samen één logisch geheel. Anders gezegd, het gedrag en de context vormen één geheel. Als een functioneel contextualist ‘gedrag’ zegt, dan bedoelt hij impliciet gedrag-in-context, want het gedrag en de context zijn voor hem onlosmakelijk met elkaar verbonden (Gifford & Hayes, 1999, De Groot et al., 2015).

Gedrag zonder context is vreemd

Gedrag is alles wat je doet

We zijn gewend om over gedrag te praten alsof het anders is dan denken en voelen. Met gedrag wordt in de spreektaal meestal uiterlijk waarneembaar gedrag bedoelt, wat ik iemand zie doen. Bijvoorbeeld, Ik kan zien dat iemand hout zaagt, dat is uiterlijk gedrag. Ik kan niet zien dat iemand denkt over hoe lekker het weer is, terwijl hij hout zaagt. Binnen het Functioneel Contextualisme ziet men dat anders.

Het Functioneel Contextualisme ziet men denken, voelen en doen allemaal als gedrag. Er wordt hierin geen onderscheid gemaakt. Het zijn namelijk allemaal manieren om met de context om te gaan. Dat iemand denkt ‘hmmm, wat een lekker zonnetje’ is een logisch gedrag in de context van lekker weer. Dat is niet heel veel anders dan met houthakken in de context dat iemand misschien een lekker vuurtje wil stoken ’s avonds en dat het nu lekker weer is om buiten hout te hakken.

Context: datgene waar je mee geconfronteerd wordt

Een andere manier om gedrag in context te begrijpen is als volgt: we doen altijd iets aan de hand van waarmee we geconfronteerd worden (Gardner, 1989). Datgene waarmee we geconfronteerd worden kunnen we de context noemen. Confrontatie heeft een beetje een negatieve lading, maar in dit geval bedoel ik dat niet zo. Ik bedoel daarmee dat we niet in een leegte leven. Integendeel, in ons en om ons heen zijn er continu gebeurtenissen die we tegenkomen waarmee we geconfronteerd worden en mee interacteren. Je wordt bijvoorbeeld nu geconfronteerd met deze tekst en je interacteert er mee. Je leest het, je probeert het misschien te begrijpen, misschien is er een gevoel van herkenning, of misschien wel verwarring. Hoe dan ook, je doet iets met deze tekst en de tekst doet iets met jou. Je wordt met iets geconfronteerd en je doet er iets mee. Dat gebeurt niet alleen met de regen of deze tekst, maar dat gebeurt met alles waarmee we geconfronteerd worden in ons leven, in ons en om ons heen.

Context binnen ons

De regen en de tekst waren zaken die buiten ons gebeuren, waarmee we geconfronteerd worden. Er zijn ook gebeurtenissen in onszelf denkbaar waarmee we geconfronteerd worden, waar we iets mee doen. Ons eerdere gedrag, zoals gevoelens en gedachten, kunnen context zijn voor ons huidige gedrag. Laat ik dit duidelijk maken met een voorbeeld:

De gedachte aan mijn vriendin maakt me blij en verliefd en ik ga lekker tegen haar aan liggen. De gedachte aan mijn vriendin is een context voor mijn blijdschap en gevoel van liefde. Deze gebeurtenis is op zijn beurt een context voor het gedrag dat ik tegen haar aan ga liggen.

 

De gedachte aan mijn vriendin is een context voor mijn glimlach

We kunnen dit een historische context noemen, omdat eerder gedrag (historie) een contextuele factor is voor het huidige gedrag. Dit onderwerp verdient zijn eigen artikel, dus in het volgende artikel gaan we hier verder op in.

Andere gebeurtenissen die binnen ons gebeuren zijn biologische processen, zoals onze hormoonhuishouding, ons DNA, of neurologische activatie. Biologische processen die invloed hebben op gedrag worden ook gezien als context voor gedrag (Biglan & Hayes, 2015). Belangrijk om te melden is dat de biologische processen dus geen oorzaak zijn voor het gedrag, maar slechts één van de contextuele factoren die het gedrag kunnen beïnvloeden.

Ik hoop dat je een beetje een beeld hebt met wat er bedoeld wordt met gedrag en met context. Laten we nu kijken wat dit betekent voor de rol van de therapeut.

De therapeut is context van de cliënt

Tijdens therapie wordt de cliënt geconfronteerd met de therapeut en daar moet de cliënt iets mee. Zodoende is de therapeut een onderdeel van de context van de cliënt z’n gedrag (Hayes & Hayes, 1992). Deze confrontatie met de therapeut is een continu proces in therapie. Wat je als therapeut doet, heeft van moment tot moment (doorlopend) invloed op de cliënt. Ook kleine dingen kunnen hierbij een invloed hebben (bijv.: een kopje thee inschenken, welkom heten, hoe je erbij zit, hoe je jezelf voelt, etc.).

Natuurlijk wordt de therapeut op zijn beurt geconfronteerd met de cliënt. Als de cliënt iets zegt of doet, dan moet de therapeut iets mee. Op deze manier heeft de cliënt logischer wijs ook invloed op het gedrag van de therapeut. De cliënt is daarmee de context van de therapeut. De therapeut en de cliënt zijn elkaars context voor hun eigen gedrag.

Je kan de therapie zien als een dans, waarbij de therapeut een stap zet, daarop zet de cliënt een stap, de therapeut weer, dit gaat zo door in een continue dynamiek waarbij de cliënt en de therapeut met elkaar geconfronteerd worden. De kunst is, voor de therapeut, om deze beweging, deze dans, vanuit deze doorlopende interactie een richting te geven die helpend is voor de cliënt.

 

Therapie is als een dans waarbij de cliënt en de therapeut bewegen in een doorlopende interactie.

Dit betekent dat niet alleen de methodes van de therapeut belangrijk zijn. Nee, alles wat de therapeut doet en is, is van belang. Want de cliënt wordt met de héle therapeut geconfronteerd. Eigenlijk is de therapeut de interventie. Zelfs als je als therapeut niks doet, roept dat nog steeds een gedrag op bij de cliënt. Stel je maar voor dat een therapeut niks zegt en je aankijkt, dat doet iets met je, als cliënt. Dus wat je als therapeut ook doet, niks of iets, de cliënt wordt geconfronteerd met jou als therapeut. De therapeut zelf is dus van wezenlijk belang in de interactie met de cliënt.

Omdat de therapeut zelf zo een wezenlijk onderdeel vormt bij therapie, is het voor de therapeut gunstig om zichzelf en zijn eigen gedrag te kennen. Dat kan gedrag zijn wat je als therapeut misschien nog onbewust doet, bijvoorbeeld strategieën die je hebt om pijnlijke ervaringen te vermijden (bijv.: afgewezen worden). Ook met dit gedrag van de therapeut kan de cliënt geconfronteerd worden, zonder dat je daar zelf erg in hebt. Daarom is het vanuit deze visie verstandig om leertherapie en supervisie te volgen, of te sparren met fijne collega’s, etc. Zo leer je jezelf steeds beter kennen als therapeut en heb je meer keuzes om bepaald gedrag wel of niet te doen in interactie met je cliënt. Op deze manier kan je de therapeutische interactie gerichter vormgeven.

Aan de andere kant is het ook zo dat de cliënt geconfronteerd wordt met aspecten van jou als therapeut, waar je zelf niks aan kan veranderen. Bijvoorbeeld, of je dezelfde taal spreekt (bijv. dialect), van welke afkomst je bent, je gender, je culturele achtergrond, noem maar op. Dit kan allemaal van invloed zijn op hoe de cliënt met jou als therapeut interacteert. Een cliënt kan zich soms meer op z’n gemak of veiliger voelen bij iemand die overeenkomt met zichzelf. Het kan fijn zijn om niet alles te hoeven uitleggen, juist omdat je ervaringen of een cultuur deelt. Of dat je als therapeut juist bepaalde woorden uit je dialect kan gebruiken die goed aanslaan bij de cliënt. Er wordt wel eens gezegd dat er een klik moet zijn tussen de therapeut en de cliënt. Dit zijn dingen die de klik tussen therapeut en cliënt kunnen versterken.

Samenvatting

We hebben in dit eerste deel gezien hoe het Functioneel Contextualisme de ‘actie in context’ interpreteert. We hebben gezien dat gedrag waar men in geïnteresseerd is als de actie wordt gezien en de rest als context. Het Functioneel Contextualisme ziet alles wat iemand doet als gedrag, ook denken en voelen.

Context kan worden gezien als datgene waarmee iemand geconfronteerd wordt. Deze context kan zowel binnen de persoon als buiten de persoon plaatsvinden. In therapie is de therapeut onderdeel van de context van de cliënt. Op zijn beurt is de cliënt de context van de therapeut. Op deze manier interacteren de therapeut en cliënt met elkaar in een doorlopende interactie. Deze interactie kan gezien worden als een dans tussen therapeut en cliënt.

Volgende artikel

Zoals we hebben gezien in het artikel over het contextualisme, is de actie in context een doorlopend, continu proces. In het volgende artikel we dieper in op hoe het Functioneel Contextualisme omgaat met dit doorlopende karakter van het contextualisme.

Vrijwillige bijdrage

Ik vind het belangrijk dat deze kennis vrij toegankelijk is. Vond je dit artikel waardevol? Dan kun je me hier steunen met een vrijwillige bijdrage.

Referenties

Biglan, A., & Hayes, S. C. (2015). Functional contextualism and contextual behavioral science. The Wiley handbook of contextual behavioral science, 37-61.

De Groot, F., Corthouts, J., A-Tjak, J., Kleen, M., & Rokx, A. (2015). Theoretische achtergronden van ACT. Acceptance & Commitment Therapy: Theorie en praktijk, 3-11.

Gardner, W. M. (1989). A comparison of Skinner’s “Verbal Behavior” to Kantor’s “Psychological Linguistics.” Unpublished manuscript, Jacksonville State University.

Gifford, E. V., & Hayes, S. C. (1999). Functional contextualism: A pragmatic philosophy for behavioral science. In Handbook of behaviorism (pp. 285-327). Academic Press.

Hayes, S. C., & Hayes, L. J. (1992). Some clinical implications of contextualistic behaviorism: The example of cognition. Behavior Therapy23(2), 225-249.

Noodzakelijk voor Wetenschap

Noodzakelijk voor Wetenschap

Noodzakelijk voor Wetenschap

Deze blog is onderdeel van de reeks ‘het RFT-woordenboek‘. RFT staat voor Relational Frame Theory. Dat is een geweldige theorie over hoe taal en ons gedrag samenhangen. RFT kan voor nieuwkomers wat uitdagend zijn om in te komen. Het heeft veel woorden die haast wel een vreemde taal lijken. Daarom zijn deze blogs er, als een soort woordenboek voor RFT. De dikgedrukte woorden in de tekst vind je terug in het woordenboek.

In de vorige blog hebben we gezien dat waarheid en bewijs afhankelijk zijn van hoe je naar het leven kijkt: je filosofie of je wereldbeeld. We hebben gesteld dat je niet zonder wereldbeeld naar het leven kan kijken. Het is als een bril, die je niet af kan zetten, maar wel kan verwisselen met een andere bril. Ook wetenschappers dragen zo een bril en hebben een wereldbeeld. Wetenschapsfilosoof Pepper (1942) maakte onderscheid tussen zes verschillende globale wereldbeelden, die hij wereldhypotheses noemde. Elk met zijn eigen kijk op waarheid, ook wel bekend onder de term ‘waarheidscriterium’.

Geschikt voor wetenschap

Nu is niet elke wereldhypothese geschikt voor wetenschap, volgens Pepper. In deze blog wil ik je graag meer vertellen over waar een wereldbeeld of wereldhypothese aan moet voldoen als je het wil gebruiken als basis voor wetenschap. Kort gezegd: in wetenschap is het noodzakelijk dat ik een bewering van iemand kan bevestigen of ontkrachten. Als ik iets beweer, dan moet jij dat kunnen bevestigen of ontkrachten. Pepper noemt dit met een Engels woord: corroboration. Zo een bevestiging, of ontkrachten, van een bewering kan op twee manieren:

  1. Aan de hand van metingen
  2. Aan de hand van logica
Metingen

Ik zou bijvoorbeeld het kookpunt van water kunnen meten, met een thermometer. Ik zeg tegen jou, de lezer, ‘water kookt bij 100 graden Celsius’. Je bent er misschien niet van overtuigd en wil de meting zelf doen. Dat doe je en je ziet dat de thermometer inderdaad 100 graden aan wijst als het water kookt. Met jouw meting bevestig je mijn bewering. Een bevestiging van een bewering op basis van een meeting noemt Pepper: corroboration of data.

 

Logica

Nu kan je ook iets bevestigen aan de hand van logica. Neem bijvoorbeeld een stoel, die wordt gemaakt door een fabrikant, genaamd Putjefrats. Deze fabrikant, Putjefrats, staat bekend om zijn stevige stoelen, Putjefrats heeft een keurmerk en wordt regelmatig gecontroleerd door een externe partij op de stevigheid van zijn stoelen. Nu heb ik zo een stoel gekocht van Putjefrats en ik zeg tegen jou: ‘Dit is een stevige stoel, ga er maar op zitten, hij is van Putjefrats!’. Je vertrouwt het toch niet helemaal en vraagt aan mij, ‘Hoezo is dit een stevige stoel, alleen omdat hij van Putjefrats is?’. Dan zeg ik, ‘Nou, Putjefrats staat bekend om zijn stevige stoelen, ze hebben een keurmerk en worden regelmatig gecontroleerd.’ ‘Oh, als dat zo is’, zeg je, ‘dan is het zeer waarschijnlijk dat dit een stevige stoel is.’ Zo bevestig je mijn bewering op basis van de logische samenhang van verschillende data. Een bevestiging op basis van logica, noemt Pepper in het Engels: corroboration of danda.

Binnen een wereldhypothese moeten beiden mogelijkheden van bevestigen of ontkrachten mogelijk zijn: zowel op basis van logica als op basis van data. Twee van Peppers wereldhypotheses voldoen hier niet aan en vier wel. In de volgende blog gaan we kijken naar de twee wereldbeelden die ongeschikt zijn voor wetenschap: Animisme en Mysticisme.

Wereldhypotheses zelf zijn niet te bevestigen

Een wereldhypothese is zelf overigens niet te ontkrachten of te bevestigen als waar. Iets is waar binnen een bepaalde wereldhypothese of vanuit een bepaald wereldbeeld. Waarheid bestaat niet los van een wereldhypothese, zoals te lezen is in de vorige blog. Een wereldhypothese proberen te bevestigen of ontkrachten is als het opeten van je eigen mond: het gaat niet. De ene wereldhypothese kan dus niet méér of minder waar zijn dan de ander. Dit geldt ook voor wereldhypotheses die niet geschikt zijn voor wetenschap.

Volgende keer dus voorbeelden van wereldhypotheses die niet geschikt zijn voor wetenschap.

Ik vind het belangrijk dat deze kennis vrij toegankelijk is. Vond je dit artikel waardevol? Dan kun je me steunen met een vrijwillige bijdrage, klik hier voor meer.

Referenties
Pepper, S. C. (1942). World hypotheses: A study in evidence (Vol. 31). Univ of California Press.

Wetenschap, bewijs en waarheid door verschillende brillen

Wetenschap, bewijs en waarheid door verschillende brillen

Wetenschap, bewijs en waarheid door verschillende brillen

Deze blog is onderdeel van de reeks ‘het RFT-woordenboek‘. RFT staat voor Relational Frame Theory. RFT is een geweldige theorie over hoe taal en ons gedrag samenhangen. RFT kan voor nieuwkomers wat uitdagend zijn om in te komen. Het heeft veel woorden die haast wel een vreemde taal lijken. Daarom zijn deze blogs er, als een soort woordenboek voor RFT. De dikgedrukte woorden in de tekst vind je terug in het woordenboek.

We beginnen deze serie over RFT met een reeks blogs over de wetenschapsfilosofie. De komende artikelen zijn gebaseerd op het boek van wetenschapsfilosoof S.C. Pepper ‘World Hypotheses: A study in evidence‘ uit 1942.

 

Wetenschap en waarheid

Je ziet wel eens koppen van nieuwsberichten voorbij komen als ‘Wetenschap wijst uit dat…’ of ‘Wetenschap bewijst….’ In onze samenleving zien we wetenschap doorgaans als een bezigheid die de waarheid kan achterhalen. Bijv., wat waar is over hoe onze wereld werkt en hoe wij werken. Er is één waarheid, die ligt buiten ons en moeten we leren kennen. En als we die waarheid kennen, dan weten we het zeker. Dan weten we wat we moeten doen, welke keuzes we moeten maken, hoe de wereld werkt, wat echt zo is en wat niet echt zo is.

Evidence-based medicine (EBM) is een populair begrip in de psychologie. EBM is therapie waarvan er bewijs is dat het effectief is. Alleen wanneer beschouwen we iets als effectief? Hoe komen we tot evidence, tot bewijs? En wat ligt er ten grondslag aan dit bewijs? Wanneer is iets waar? Voor deze vragenstukken kijken we naar wetenschapsfilosoof S.C. Pepper, die in 1942 World Hypotheses: A Study in Evidence schreef.

Hierin schreef hij dat wat bewijs genoemd wordt en wat gezien wordt als waarheid afhankelijk is van je wereldbeeld. Zo een wereldbeeld is een perspectief vanuit waar je naar het leven kijkt. Je kan vergelijken met een bril. Als je een rode bril op zet, zie je de wereld rood. Als je een blauwe bril op zet zie je de wereld blauw.

Kan ik niet zonder bril?

Nu denk je misschien ‘nou, dan zet ik toch geen bril op, dan zie ik de wereld zoals die is’. Maar dat is niet mogelijk. Je kan niet zonder wereldbeeld, ook een wetenschapper niet. Een wetenschapper is geen onbeschreven blad als hij begint met zijn onderzoek. Hij komt niet uit een ei gekropen en begint met vragen te stellen en onderzoek te doen.

 

Ook een wetenschapper groeit op en ontwikkelt zich in een gemeenschap die hem een bril mee geeft. Misschien wisselt hij later nog van bril, maar hij zal nooit zonder bril naar de wereld kunnen kijken. Zijn bril bepaalt welke onderzoeksvragen relevant zijn en welke niet, hoe hij het onderzoek op zet, welke factoren hij belangrijk vindt om mee te nemen en uiteindelijk ook wat hij als waar of als bewijs beschouwt voor zijn onderzoeksvraag. In toekomstige blogs zullen we zien dat deze wereldbeelden ook invloed hebben op hoe we naar therapie kijken en wat we verwachten van therapie, therapeuten en onderzoek naar therapie.

Wereldhypotheses

Pepper omschrijft 6 verschillende globale wereldbeelden, 6 globale brillen, die noemt hij wereldhypotheses (World Hypotheses). Je kan deze wereldhypotheses zien als globale pre-analytische aannames of hypotheses. Dat zijn aannames die men doet voordat men een onderzoek of analyse doet. Je kunt deze aannames niet zelf onderzoeken, ze gaan immers vooraf aan onderzoek. Deze pre-analytische aannames of wereldhypotheses gaan over hoe de wereld eruit ziet of hoe de wereld werkt (bijv.: de wereld werkt als een machine). Dat klinkt misschien nog een beetje abstract, maar alle 6 de wereldhypotheses komen nog terug in toekomstige blogs. Dan wordt het wellicht wat tastbaarder en concreter.

Waarheid is afhankelijk van je wereldbeeld of wereldhypothese

Volgens Pepper heeft elke wereldhypothese zijn eigen kijk op waarheid. Elke wereldhypothese heeft zijn eigen criterium om te bepalen wanneer iets waar is, zo zegt hij. Deze criteria van de wereldhypotheses noemt hij het waarheidscriterium. Er zijn volgens hem dus meerdere waarheden (waarheidscriteria) en die hangen samen met een wereldbeeld of wereldhypothese. Wat we als bewijs zien is mede afhankelijk van de wereldhypothese die we aanhangen. Hoe dat eruitziet zullen we terug zien wanneer we de specifieke wereldhypotheses behandelen.

Samenvattend: Wetenschap kan beoefend worden vanuit verschillende wereldbeelden. Pepper onderscheidt 6 globale wereldbeelden, die Pepper wereldhypotheses noemt. Elke wereldhypothese heeft zijn eigen waarheid of waarheidscriterium. Wat je als bewijs beschouwt is dus afhankelijk van de bril die je op hebt of welke wereldhypothese je aanhangt.

Sommige wereldhypotheses zijn geschikt voor wetenschap andere niet. Hoe dat zit leg ik je uit in de volgende blog.

Vond je dit artikel waardevol? Ik vind het belangrijk dat deze kennis vrij toegankelijk is. Daarom kun je me steunen met een vrijwillige bijdrage, klik hier voor meer.

Referenties
Pepper, S. C. (1942). World hypotheses: A study in evidence (Vol. 31). Univ of California Press.

RFT-Woordenboek

RFT-Woordenboek

Hieronder vind je de inhoudsopgave van de artikelen waarin de Relational Frame Theory en aanverwante theorieën worden uitgelegd. Daaronder vind je een woordenlijst. Klik hier om direct naar de woordenlijst te gaan. Over elke term komt een blog. Zo wordt het woordenboek met de tijd steeds groter. Mocht je het fijn vinden dat dit gratis beschikbaar wordt gesteld en wil je me steunen, dan kan je hier een vrijwillige bijdrage geven.

Woordenlijst

Animisme: Een wereldhypothese die uitgaat van het bestaan van een goddelijkheid. Deze wereldhypothese is ongeschikt voor wetenschap.
Contextualisme: Een wereldhypothese die ervan uitgaat dat de alles beschouwd kan worden als een doorlopende actie-in-context. Er is een doorlopende interactie tussen de actie en de context. Iets is waar binnen het contextualisme als het succesvol werkt voor een doel.
Corroboration of Danda: Iemand zijn bewering of observatie bevestigen of ontkrachten aan de hand van logica.
Corroboration of Data: Iemand zijn bewering of observatie bevestigen of ontkrachten aan de hand van experimenten en metingen.
Eclecticisme: Het mengen van verschillende wereldhypotheses. Dit is af te raden volgens wetenschapsfilosoof Pepper.
Functioneel Contextualisme: Een vorm van het contextualisme wat gericht is op gedrag. Men is vooral geïnteresseerd in de functie van het gedrag t.a.v. de context. Het wordt gekenmerkt door zijn doel: gedrag beïnvloeden en voorspellen met nauwkeurigheid, scope en diepte.
Gedrag in Context: Het Functioneel Contextualisme ziet gedrag en zijn context als één geheel. Gedrag is niet los te zien van de context waarin het gebeurt.
Historische Context: Eerder gedrag(-in-context) wat een invloed heeft op het huidige gedrag
Leergeschiedenis: Eerder gedrag(-in-context) die een invloed heeft op het huidige gedrag.
Lineaire Causaliteit: Een serie oorzaak-gevolg relaties die als het ware in een rechte lijn gaat: één ding veroorzaakt één ander iets, wat weer één ander iets veroorzaakt, etc. Lineaire causaliteit kan men terug zien in de wereldhypothese van het mechanisisme.
Mechanisisme: De wereldhypothese die ervan uitgaat dat de wereld werkt als een machine. Alles in de wereld heeft een natuurlijk mechanisme. In de psychologie is dit het meest gangbare perspectief en zien we terug in de cognitieve wetenschap, neurocognitieve wetenschap en menig behandeling.
Mysticisme: Een wereldhypothese die uitgaat van de mystieke ervaring: het gevoeld dat je één bent met alles. Deze wereldhypothese is ongeschikt voor wetenschap.
Ontologie: de wetenschap of kennis over of iets echt zo is of niet echt zo is. Bestaat iets of bestaat iets niet. 
Organisisme: Het organisisme is een wereldhypothese die uitgaat van een cyclische beweging. Door deze cyclische beweging vormen afzonderlijke elementen steeds meer een geheel. Deze cyclische beweging gaat in fases. Deze wereldhypothese is geschikt voor wetenschap.
Pragmatisme: Het uitgangspunt dat iets moet functioneren of werken voor een doel. Vaak is het pragmatisme een synoniem voor contextualisme. Pragmatisme wordt ook wel eens als tegenovergestelde beschouwd van ontologie.
Waarheidscriterium: Een criterium aan de hand waarvan iets als waar wordt aangenomen. Een waarheidscriterium hangt samen met een wereldhypothese. Elke wereldhypothese heeft zijn eigen waarheidscriterium. Iets is waar binnen een wereldhypothese als het voldoet aan dit criterium.
Wereldhypothese: Een globaal wereldbeeld of filosofische stroming met zijn eigen waarheid, ook wel een waarheidscriterium genoemd.
Vormisme: Een wereldhypothese die uitgaat van unieke vormen die eigenschappen delen. Unieke vormen kunnen worden gecategoriseerd op basis van eigenschappen. De DSM is een voorbeeld van het vormisme in de psychologie. Deze wereldhypothese is geschikt voor wetenschap.

Alles over de Relational Frame Theory

Alles over de Relational Frame Theory

Alles over de Relational Frame Theory

In de komende reeks blogs wil ik je graag meenemen in een theorie die ik zelf heel bijzonder vindt: de Relational Frame Theory, kortweg RFT. De gedragsprocessen die gebruikt worden in Procesgerichte Interactieve Therapie, komen van de RFT. Het is een uitgebreide theorie, over hoe taal werkt en welke invloed taal heeft op ons gedrag. De theorie leunt op een prachtige wetenschapsfilosofie, het Functioneel Contextualisme, die uitgaat van interactie. Interactie met jezelf en met je omgeving.

Het nadeel van RFT is dat het soms net een vreemde taal lijkt. Het is een hocus pocus van nieuwe begrippen, zeker voor een nieuwkomer. Daarom leg ik je RFT graag op een makkelijk te begrijpen manier uit in de komende blogs, naast nog een aantal interessante zaken die er mee te maken hebben. Zie het de blogs als een soort RFT-woordenboek. Als je nieuw bent in RFT, dan kan je hier alles te weten komen over deze prachtige theorie.

Mocht je na een workshop of de opleiding denken: hoe zit dat ook al weer? Dan kan je hier terug komen om je kennis op te frissen. Mocht je nou niet in de gelegenheid zijn om een workshop te volgen, maar waardeer je deze artikelen wel? Je kunt me ook steunen door een vrijwillige bijdrage te geven, klik hier voor meer.

Wat kan je verwachten?

De blogs zullen beginnen aan de basis, dat is de wetenschapsfilosofie. Hierin wordt behandeld wat waarheid is en welke functie wetenschap hierin heeft. Ik zal je laten zien dat wetenschap vanuit verschillende uitgangspunten of filosofieën gedaan kan worden. Zie het als bril waardoor je kan kijken. Met welke bril er naar de wereld gekeken wordt heeft impact op wat voor conclusies de wetenschap trekt. Welke bril je op hebt, heeft ook invloed op hoe we naar therapie kijken, wat cliënten verwachten. Ook wat instellingen en mensen om de cliënt verwachten, zoals: zorgverzekeraars, bedrijfsartsen en dierbare van de cliënt. En niet op de laatste plaats, wat therapeuten van zichzelf verwachten. Pepper beschreef in 1942 een aantal van dergelijke uitgangspunten. We zullen die nader bekijken en welke impact dit heeft.

Hierna zullen we ingaan op het Functioneel Contextualisme. FC is gebaseerd op een stroming die beschreven is door Pepper: het contextualisme. Het contextualisme is een brede stroming en FC is een toegespitste vorm van contextualisme. Het is in het bijzonder toegespitst op het nauwkeurig beïnvloeden en voorspellen van gedrag. Wat dit betekent, zal ik je precies uitleggen in toekomstige blogs.

Nadat we de filosofieën behandeld hebben zullen we de theorie verder onder de loep nemen. Hierin neem ik je mee in hoe RFT werkt en waar het op gebaseerd is. Om een tipje van de sluier op te lichten: RFT is gebaseerd op het behaviorisme, wat uit gaat van stimulus-respons relaties. Met RFT kan je inzichtelijk krijgen welke invloed iemands taalgebruik heeft op zijn of haar gedrag. We communiceren met taal, we denken over onszelf en over anderen met behulp van taal. Taal zit verweven in alles wat we doen. RFT laat zien hoe taal werkt en welke invloed dit heeft op ons gedrag. Hoe dat precies zit, lees je in de blogs.

Ik kijk er naar uit om je mee te nemen in mijn enthousiasme voor deze prachtige theorie.

Referenties
Pepper, S. C. (1942). World hypotheses: A study in evidence (Vol. 31). Univ of California Press.