Functioneel Contextualisme: Gedrag in Context

Functioneel Contextualisme: Gedrag in Context

Functioneel Contextualisme: Gedrag in Context

Deze blog is onderdeel van de reeks ‘het RFT-woordenboek‘. RFT staat voor Relational Frame Theory. Dat is een geweldige theorie over hoe taal en ons gedrag samenhangen. RFT kan voor nieuwkomers wat uitdagend zijn om in te komen. Het heeft veel woorden die haast wel een vreemde taal lijken. Daarom zijn deze blogs er, als een soort woordenboek voor RFT. De dikgedrukte woorden in de tekst vind je terug in het woordenboek.

Eerder hebben we gezien dat waarheid afhankelijk kan zijn van je wereldbeeld. Het contextualisme is zo een wereldbeeld. Binnen de psychologie is er een stroming die zich baseert op dit wereldbeeld, genaamd het Functioneel Contextualisme (FC). Het Functioneel Contextualisme is het gedachtegoed waarop de Relational Frame Theory (RFT) en Procesgerichte Interactieve Therapie (PiT) op gebaseerd zijn. In de komende artikelen gaan we dieper in op wat het Functioneel Contextualisme is. In deze blog leg ik je uit hoe het Functioneel Contextualisme gedrag en context ziet en zal ik dieper ingaan op welke plek de therapeut hierin inneemt.

Mocht je het artikel over contextualisme nog niet gelezen hebben, dan is het aan te raden om dat eerst te doen. Klik hier voor het artikel over het contextualisme.

Gedrag in context

Het Functioneel Contextualisme is een vorm van het contextualisme. Het contextualisme is een wereldbeeld wat er vanuit gaat dat alles beschouwd kan worden als een actie in context. De actie en de context zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en vormen samen één geheel. In het artikel over contextualisme hebben we gezien dat van tevoren niet vast staat wat actie is en wat context is. Alles kan in wezen actie of context zijn. De actie is meestal datgene waarin men primair geïnteresseerd in is. De mensen die het functioneel contextualisme bedacht hebben waren wetenschappers en behandelaren in de psychologie, die primair geïnteresseerd waren in het gedrag (van mensen). Zodoende is gedrag de actie en al het overige is context voor het gedrag. Het functioneel contextualisme richt zich dus op gedrag in context. Laten we dit eens bekijken aan de hand van een ons eerdere voorbeeld uit het artikel over het contextualisme: de man in de regen.

Doet een krant boven zijn hoofd (gedrag) in de regen (context)

Iemand loopt in de regen met een krant boven zijn hoofd. Het gedrag van deze persoon is dat hij een krant boven zijn hoofd houdt in de context van de regen. Zoals we eerder bij het contextualisme hebben gezien, zou het heel raar zijn om dit gedrag los te zien de regen. Dan zouden we alleen iemand zien die een krant boven zijn hoofd houdt.

De krant boven het hoofd houden is alleen logisch als we de context meenemen waarin dat gebeurt, namelijk de regen. De krant boven het hoofd houden en de regen vormen samen één logisch geheel. Anders gezegd, het gedrag en de context vormen één geheel. Als een functioneel contextualist ‘gedrag’ zegt, dan bedoelt hij impliciet gedrag-in-context, want het gedrag en de context zijn voor hem onlosmakelijk met elkaar verbonden (Gifford & Hayes, 1999, De Groot et al., 2015).

Gedrag zonder context is vreemd

Gedrag is alles wat je doet

We zijn gewend om over gedrag te praten alsof het anders is dan denken en voelen. Met gedrag wordt in de spreektaal meestal uiterlijk waarneembaar gedrag bedoelt, wat ik iemand zie doen. Bijvoorbeeld, Ik kan zien dat iemand hout zaagt, dat is uiterlijk gedrag. Ik kan niet zien dat iemand denkt over hoe lekker het weer is, terwijl hij hout zaagt. Binnen het Functioneel Contextualisme ziet men dat anders.

Het Functioneel Contextualisme ziet men denken, voelen en doen allemaal als gedrag. Er wordt hierin geen onderscheid gemaakt. Het zijn namelijk allemaal manieren om met de context om te gaan. Dat iemand denkt ‘hmmm, wat een lekker zonnetje’ is een logisch gedrag in de context van lekker weer. Dat is niet heel veel anders dan met houthakken in de context dat iemand misschien een lekker vuurtje wil stoken ’s avonds en dat het nu lekker weer is om buiten hout te hakken.

Context: datgene waar je mee geconfronteerd wordt

Een andere manier om gedrag in context te begrijpen is als volgt: we doen altijd iets aan de hand van waarmee we geconfronteerd worden (Gardner, 1989). Datgene waarmee we geconfronteerd worden kunnen we de context noemen. Confrontatie heeft een beetje een negatieve lading, maar in dit geval bedoel ik dat niet zo. Ik bedoel daarmee dat we niet in een leegte leven. Integendeel, in ons en om ons heen zijn er continu gebeurtenissen die we tegenkomen waarmee we geconfronteerd worden en mee interacteren. Je wordt bijvoorbeeld nu geconfronteerd met deze tekst en je interacteert er mee. Je leest het, je probeert het misschien te begrijpen, misschien is er een gevoel van herkenning, of misschien wel verwarring. Hoe dan ook, je doet iets met deze tekst en de tekst doet iets met jou. Je wordt met iets geconfronteerd en je doet er iets mee. Dat gebeurt niet alleen met de regen of deze tekst, maar dat gebeurt met alles waarmee we geconfronteerd worden in ons leven, in ons en om ons heen.

Context binnen ons

De regen en de tekst waren zaken die buiten ons gebeuren, waarmee we geconfronteerd worden. Er zijn ook gebeurtenissen in onszelf denkbaar waarmee we geconfronteerd worden, waar we iets mee doen. Ons eerdere gedrag, zoals gevoelens en gedachten, kunnen context zijn voor ons huidige gedrag. Laat ik dit duidelijk maken met een voorbeeld:

De gedachte aan mijn vriendin maakt me blij en verliefd en ik ga lekker tegen haar aan liggen. De gedachte aan mijn vriendin is een context voor mijn blijdschap en gevoel van liefde. Deze gebeurtenis is op zijn beurt een context voor het gedrag dat ik tegen haar aan ga liggen.

 

De gedachte aan mijn vriendin is een context voor mijn glimlach

We kunnen dit een historische context noemen, omdat eerder gedrag (historie) een contextuele factor is voor het huidige gedrag. Dit onderwerp verdient zijn eigen artikel, dus in het volgende artikel gaan we hier verder op in.

Andere gebeurtenissen die binnen ons gebeuren zijn biologische processen, zoals onze hormoonhuishouding, ons DNA, of neurologische activatie. Biologische processen die invloed hebben op gedrag worden ook gezien als context voor gedrag (Biglan & Hayes, 2015). Belangrijk om te melden is dat de biologische processen dus geen oorzaak zijn voor het gedrag, maar slechts één van de contextuele factoren die het gedrag kunnen beïnvloeden.

Ik hoop dat je een beetje een beeld hebt met wat er bedoeld wordt met gedrag en met context. Laten we nu kijken wat dit betekent voor de rol van de therapeut.

De therapeut is context van de cliënt

Tijdens therapie wordt de cliënt geconfronteerd met de therapeut en daar moet de cliënt iets mee. Zodoende is de therapeut een onderdeel van de context van de cliënt z’n gedrag (Hayes & Hayes, 1992). Deze confrontatie met de therapeut is een continu proces in therapie. Wat je als therapeut doet, heeft van moment tot moment (doorlopend) invloed op de cliënt. Ook kleine dingen kunnen hierbij een invloed hebben (bijv.: een kopje thee inschenken, welkom heten, hoe je erbij zit, hoe je jezelf voelt, etc.).

Natuurlijk wordt de therapeut op zijn beurt geconfronteerd met de cliënt. Als de cliënt iets zegt of doet, dan moet de therapeut iets mee. Op deze manier heeft de cliënt logischer wijs ook invloed op het gedrag van de therapeut. De cliënt is daarmee de context van de therapeut. De therapeut en de cliënt zijn elkaars context voor hun eigen gedrag.

Je kan de therapie zien als een dans, waarbij de therapeut een stap zet, daarop zet de cliënt een stap, de therapeut weer, dit gaat zo door in een continue dynamiek waarbij de cliënt en de therapeut met elkaar geconfronteerd worden. De kunst is, voor de therapeut, om deze beweging, deze dans, vanuit deze doorlopende interactie een richting te geven die helpend is voor de cliënt.

 

Therapie is als een dans waarbij de cliënt en de therapeut bewegen in een doorlopende interactie.

Dit betekent dat niet alleen de methodes van de therapeut belangrijk zijn. Nee, alles wat de therapeut doet en is, is van belang. Want de cliënt wordt met de héle therapeut geconfronteerd. Eigenlijk is de therapeut de interventie. Zelfs als je als therapeut niks doet, roept dat nog steeds een gedrag op bij de cliënt. Stel je maar voor dat een therapeut niks zegt en je aankijkt, dat doet iets met je, als cliënt. Dus wat je als therapeut ook doet, niks of iets, de cliënt wordt geconfronteerd met jou als therapeut. De therapeut zelf is dus van wezenlijk belang in de interactie met de cliënt.

Omdat de therapeut zelf zo een wezenlijk onderdeel vormt bij therapie, is het voor de therapeut gunstig om zichzelf en zijn eigen gedrag te kennen. Dat kan gedrag zijn wat je als therapeut misschien nog onbewust doet, bijvoorbeeld strategieën die je hebt om pijnlijke ervaringen te vermijden (bijv.: afgewezen worden). Ook met dit gedrag van de therapeut kan de cliënt geconfronteerd worden, zonder dat je daar zelf erg in hebt. Daarom is het vanuit deze visie verstandig om leertherapie en supervisie te volgen, of te sparren met fijne collega’s, etc. Zo leer je jezelf steeds beter kennen als therapeut en heb je meer keuzes om bepaald gedrag wel of niet te doen in interactie met je cliënt. Op deze manier kan je de therapeutische interactie gerichter vormgeven.

Aan de andere kant is het ook zo dat de cliënt geconfronteerd wordt met aspecten van jou als therapeut, waar je zelf niks aan kan veranderen. Bijvoorbeeld, of je dezelfde taal spreekt (bijv. dialect), van welke afkomst je bent, je gender, je culturele achtergrond, noem maar op. Dit kan allemaal van invloed zijn op hoe de cliënt met jou als therapeut interacteert. Een cliënt kan zich soms meer op z’n gemak of veiliger voelen bij iemand die overeenkomt met zichzelf. Het kan fijn zijn om niet alles te hoeven uitleggen, juist omdat je ervaringen of een cultuur deelt. Of dat je als therapeut juist bepaalde woorden uit je dialect kan gebruiken die goed aanslaan bij de cliënt. Er wordt wel eens gezegd dat er een klik moet zijn tussen de therapeut en de cliënt. Dit zijn dingen die de klik tussen therapeut en cliënt kunnen versterken.

Samenvatting

We hebben in dit eerste deel gezien hoe het Functioneel Contextualisme de ‘actie in context’ interpreteert. We hebben gezien dat gedrag waar men in geïnteresseerd is als de actie wordt gezien en de rest als context. Het Functioneel Contextualisme ziet alles wat iemand doet als gedrag, ook denken en voelen.

Context kan worden gezien als datgene waarmee iemand geconfronteerd wordt. Deze context kan zowel binnen de persoon als buiten de persoon plaatsvinden. In therapie is de therapeut onderdeel van de context van de cliënt. Op zijn beurt is de cliënt de context van de therapeut. Op deze manier interacteren de therapeut en cliënt met elkaar in een doorlopende interactie. Deze interactie kan gezien worden als een dans tussen therapeut en cliënt.

Volgende artikel

Zoals we hebben gezien in het artikel over het contextualisme, is de actie in context een doorlopend, continu proces. In het volgende artikel we dieper in op hoe het Functioneel Contextualisme omgaat met dit doorlopende karakter van het contextualisme.

Vrijwillige bijdrage

Ik vind het belangrijk dat deze kennis vrij toegankelijk is. Vond je dit artikel waardevol? Dan kun je me hier steunen met een vrijwillige bijdrage.

Referenties

Biglan, A., & Hayes, S. C. (2015). Functional contextualism and contextual behavioral science. The Wiley handbook of contextual behavioral science, 37-61.

De Groot, F., Corthouts, J., A-Tjak, J., Kleen, M., & Rokx, A. (2015). Theoretische achtergronden van ACT. Acceptance & Commitment Therapy: Theorie en praktijk, 3-11.

Gardner, W. M. (1989). A comparison of Skinner’s “Verbal Behavior” to Kantor’s “Psychological Linguistics.” Unpublished manuscript, Jacksonville State University.

Gifford, E. V., & Hayes, S. C. (1999). Functional contextualism: A pragmatic philosophy for behavioral science. In Handbook of behaviorism (pp. 285-327). Academic Press.

Hayes, S. C., & Hayes, L. J. (1992). Some clinical implications of contextualistic behaviorism: The example of cognition. Behavior Therapy23(2), 225-249.

Eclecticisme: Alle wereldhypotheses op een hoopje

Eclecticisme: Alle wereldhypotheses op een hoopje

Eclecticisme: Alle wereldhypotheses op een hoopje

Deze blog is onderdeel van de reeks ‘het RFT-woordenboek‘. RFT staat voor Relational Frame Theory. Dat is een geweldige theorie over hoe taal en ons gedrag samenhangen. RFT kan voor nieuwkomers wat uitdagend zijn om in te komen. Het heeft veel woorden die haast wel een vreemde taal lijken. Daarom zijn deze blogs er, als een soort woordenboek voor RFT. De dikgedrukte woorden in de tekst vind je terug in het woordenboek.

In de vorige blogs hebben we gekeken naar de verschillende wereldhypothese die Pepper (1942) onderscheidt: Het animisme en het mysticisme waren volgens Pepper niet geschikt voor wetenschap. Het vormisme, organisisme, mechanisisme en contextualisme wel. We hebben gezien dat iedere wereldhypohese zijn eigen waarheid heeft. Hier wil ik nog even op terugkomen in deze blog en hoe dit samenhangt met het vermengen van wereldhypotheses.

Waarheid

Het is al een paar keer langsgekomen, maar ik wil het toch nog maar eens herhalen. Geen van de wereldhypotheses is beter dan de ander. Geen enkele is goed of fout. Zelfs de wereldhypotheses die geschikt zijn voor wetenschap, zijn niet per definitie beter of slechter, dan de wereldhypotheses die niet geschikt zijn voor wetenschap.

Om dit wat duidelijker uit te leggen, kan je de wereldhypotheses zien als spelletjes. Net zo als dat iedere wereldhypothese zijn eigen regels heeft voor of iets waar is of niet, heeft ieder spel zijn eigen regels voor wanneer iemand heeft gewonnen. Zo heb je bijvoorbeeld bij het kaartspel ‘pesten’ gewonnen als al je die eerste bent die al zijn kaarten heeft weggespeeld. En bij monopolie heb je gewonnen als je als laatste overblijft. Of je wint, is afhankelijk van welk spel je speelt. Er bestaat geen winnen of verliezen buiten het spelen van een spel.

Zo is het ook met waarheid en wereldhypotheses. Waarheid bestaat alleen binnen een wereldhypothese. Buiten de wereldhypotheses om bestaat geen waarheid. Je kunt dus niet zeggen dat een wereldhypothese fout, of beter of slechter is dan een andere wereldhypothese. Als we dat zouden doen dan zou er een waarheid buiten de wereldhypotheses zijn. Een waarheid, die meer waar is dan de waarheid van de wereldhypotheses zelf. Als dat zo is, dan zijn de wereldhypotheses overbodig. We zouden dan gewoon deze overkoepelende waarheid kunnen gebruiken en de wereldhypotheses bij het vuil zetten. Voor zover we weten bestaat deze waarheid niet.

Monopoly en Pesten zijn verschillende spelletjes met hun eigen regels

Wereldhypotheses mengen

Misschien denk je nu, wat nou als we alle wereldhypotheses samenvoegen (dat heet eclecticisme), dan bundelen we de kracht van iedere wereldhypothese. Dat klinkt in eerste instantie heel aantrekkelijk, maar dat kan op langere termijn problemen op leveren.

Het mengen van wereldhypotheses is een beetje als het mengen van spelletjes. Elk spel heeft zijn eigen set aan regels om het spel te spelen. Al deze regels hebben alleen maar een betekenis binnen het kader van dat spel.

Stel, we gaan ‘pesten’ met monopolie mengen. Hoe weet je wanneer er iemand gewonnen heeft? Als de eerste bent van wie alle kaarten op zijn? Dat is niet hoe monopolie werkt. Als je als laatste overblijft? Dat is niet hoe pesten werkt. Welke regels neem je dan over van monopolie en welke van pesten. Hoezo die regels wel en anderen niet? En ja, misschien is dit leuk voor avondje, maar meestal eindigt het in een chaos, waarin niemand meer weet wat ze precies aan het doen zijn en wat de betekenis is van het spel.

 

Van Monopoly en Pesten één spel maken kan snel een chaos worden.

Zo is het ook met het mengen van wereldhypotheses. Als je ze mengt gebruik je dan het waarheidscriterium van het vormisme of het organisisme? En waarom? Wat neem je over van de een en wat van de ander? Hoezo precies die elementen en andere niet? Vaak is het aan het begin spannend en leuk om dingen samen te voegen en verbanden te zien tussen verschillende wereldhypotheses. Toch eindigt het vaak in een soep waarbij de richting onduidelijk is.

Beter is het om ze gescheiden te houden en één wereldhypothese te kiezen, die het beste bij je past. De enige uitzondering hierop is het contextualisme. Bij het contextualisme kan je eigenschappen van andere wereldhypotheses overnemen, zolang het bijdraagt aan het succesvol werken voor je doel. Maar ook hier zou ik voorzichtig mee zijn. Voor je het weet zit je in een mengelmoes waar je door de bomen het bos niet meer ziet.

Van het Mechanisisme en het Contextualisme één wereldhypothese maken, kan snel een chaos worden.

Ik hoop dat ik een overzicht heb gegeven van de verschillende filosofische uitgangspunten waaruit je kan kiezen. De meeste mensen hebben een voorkeur. Ik heb ook een voorkeur en daar is niks mis mee. Mijn voorkeur is niet beter of slechter dan jouw voorkeur. Als je een workshop of opleiding bij me komt volgen weet je vanuit welk bril dit gegeven wordt (het contextualisme) en kan je kiezen of dat bij je past en of je daar meer over wil weten. Mij heeft het in ieder geval veel gebracht.

In de volgende blog gaan we een specifieke vorm van het contextualisme onder de loep nemen, namelijk het Functioneel Contextualisme. Op deze stroming is de Relational Frame Theory gebaseerd.

Ik vind het belangrijk dat deze kennis vrij toegankelijk is. Vond je dit artikel waardevol? Dan kun je me steunen met een vrijwillige bijdrage, klik hier voor meer.

Referenties
Pepper, S. C. (1942). World hypotheses: A study in evidence (Vol. 31). Univ of California Press.