RFT-Woordenboek

Hieronder vind je de inhoudsopgave van de artikelen waarin de Relational Frame Theory en aanverwante theorieën worden uitgelegd. Daaronder vind je een woordenlijst. Klik hier om direct naar de woordenlijst te gaan. Over elke term komt een blog. Zo wordt het woordenboek met de tijd steeds groter. Mocht je het fijn vinden dat dit gratis beschikbaar wordt gesteld en wil je me steunen, dan kan je hier een vrijwillige bijdrage geven.

Woordenlijst

Animisme: Een wereldhypothese die uitgaat van het bestaan van een goddelijkheid. Deze wereldhypothese is ongeschikt voor wetenschap.
Contextualisme: Een wereldhypothese die ervan uitgaat dat de alles beschouwd kan worden als een doorlopende actie-in-context. Er is een doorlopende interactie tussen de actie en de context. Iets is waar binnen het contextualisme als het succesvol werkt voor een doel.
Corroboration of Danda: Iemand zijn bewering of observatie bevestigen of ontkrachten aan de hand van logica.
Corroboration of Data: Iemand zijn bewering of observatie bevestigen of ontkrachten aan de hand van experimenten en metingen.
Eclecticisme: Het mengen van verschillende wereldhypotheses. Dit is af te raden volgens wetenschapsfilosoof Pepper.
Functioneel Contextualisme: Een vorm van het contextualisme wat gericht is op gedrag. Men is vooral geïnteresseerd in de functie van het gedrag t.a.v. de context. Het wordt gekenmerkt door zijn doel: gedrag beïnvloeden en voorspellen met nauwkeurigheid, scope en diepte.
Gedrag in Context: Het Functioneel Contextualisme ziet gedrag en zijn context als één geheel. Gedrag is niet los te zien van de context waarin het gebeurt.
Historische Context: Eerder gedrag(-in-context) wat een invloed heeft op het huidige gedrag
Leergeschiedenis: Eerder gedrag(-in-context) die een invloed heeft op het huidige gedrag.
Lineaire Causaliteit: Een serie oorzaak-gevolg relaties die als het ware in een rechte lijn gaat: één ding veroorzaakt één ander iets, wat weer één ander iets veroorzaakt, etc. Lineaire causaliteit kan men terug zien in de wereldhypothese van het mechanisisme.
Mechanisisme: De wereldhypothese die ervan uitgaat dat de wereld werkt als een machine. Alles in de wereld heeft een natuurlijk mechanisme. In de psychologie is dit het meest gangbare perspectief en zien we terug in de cognitieve wetenschap, neurocognitieve wetenschap en menig behandeling.
Mysticisme: Een wereldhypothese die uitgaat van de mystieke ervaring: het gevoeld dat je één bent met alles. Deze wereldhypothese is ongeschikt voor wetenschap.
Ontologie: de wetenschap of kennis over of iets echt zo is of niet echt zo is. Bestaat iets of bestaat iets niet. 
Organisisme: Het organisisme is een wereldhypothese die uitgaat van een cyclische beweging. Door deze cyclische beweging vormen afzonderlijke elementen steeds meer een geheel. Deze cyclische beweging gaat in fases. Deze wereldhypothese is geschikt voor wetenschap.
Pragmatisme: Het uitgangspunt dat iets moet functioneren of werken voor een doel. Vaak is het pragmatisme een synoniem voor contextualisme. Pragmatisme wordt ook wel eens als tegenovergestelde beschouwd van ontologie.
Waarheidscriterium: Een criterium aan de hand waarvan iets als waar wordt aangenomen. Een waarheidscriterium hangt samen met een wereldhypothese. Elke wereldhypothese heeft zijn eigen waarheidscriterium. Iets is waar binnen een wereldhypothese als het voldoet aan dit criterium.
Wereldhypothese: Een globaal wereldbeeld of filosofische stroming met zijn eigen waarheid, ook wel een waarheidscriterium genoemd.
Vormisme: Een wereldhypothese die uitgaat van unieke vormen die eigenschappen delen. Unieke vormen kunnen worden gecategoriseerd op basis van eigenschappen. De DSM is een voorbeeld van het vormisme in de psychologie. Deze wereldhypothese is geschikt voor wetenschap.