Functioneel Contextualisme: Gedrag als een doorlopende stroom

Functioneel Contextualisme: Gedrag als een doorlopende stroom

Functioneel Contextualisme: Gedrag als een doorlopende stroom

Deze blog is onderdeel van de reeks ‘het RFT-woordenboek‘. RFT staat voor Relational Frame Theory. Dat is een geweldige theorie over hoe taal en ons gedrag samenhangen. RFT kan voor nieuwkomers wat uitdagend zijn om in te komen. Het heeft veel woorden die haast wel een vreemde taal lijken. Daarom zijn deze blogs er, als een soort woordenboek voor RFT. De dikgedrukte woorden in de tekst vind je terug in het woordenboek.

Eerder hebben we gezien dat waarheid afhankelijk kan zijn van je wereldbeeld. Het contextualisme is zo een wereldbeeld. Binnen de psychologie is er een stroming die zich baseert op dit wereldbeeld, genaamd het Functioneel Contextualisme (FC). Het Functioneel Contextualisme is het gedachtegoed waarop de Relational Frame Theory (RFT) en Procesgerichte Interactieve Therapie (PiT) op gebaseerd zijn. In de komende artikelen gaan we dieper in op wat het Functioneel Contextualisme is.

Mocht je het artikel over contextualisme nog niet gelezen hebben, dan is het aan te raden om dat eerst te doen. Klik hier voor het artikel over het contextualisme.

Het contextualisme gaat ervan uit dat alles gezien kan worden als een doorlopende actie in context. In de vorige blog zijn we dieper ingegaan op wat actie in context betekent vanuit het Functioneel Contextualisme. Deze keer gaan we dieper in op hoe het functioneel contextualisme tegen doorlopende karakter van het contextualisme aankijkt en hoe we dit terugzien in gedrag.

Gedrag als een doorlopend proces

Zoals we in eerdere artikelen hebben gezien, kunnen we gedrag zien als een continue dans. Met ons gedrag beïnvloeden we onze context en onze context beïnvloedt ons gedrag. Zo is er een continue wisselwerking tussen context en gedrag. Als we dit betrekken op de dans, dan zijn de bewegingen van onze danspartner onze context: we stemmen onze pasjes af op de passen die onze danspartner zet. En met onze pasjes, beïnvloeden we ook de pasjes van onze danspartner. Onze context beïnvloed ons gedrag en wij beïnvloeden, met ons gedrag, onze context. Deze uitwisseling is als het ware een doorlopende beweging, net als bij de dans.

Gedrag in context is als een dans: een doorlopende wisselwerking

In het vorige artikel hebben we gedrag en de context vanuit verschillende kanten belicht. Hierin hebben we het al kort gehad over het idee dat ons eerdere gedrag een context kan zijn voor ons huidige gedrag. Misschien kan je nog onderstaande voorbeeld herinneren:

De gedachte aan mijn vriendin maakt me blij en verliefd en er verschijnt een glimlach op mijn gezicht. Mijn gedachte aan mijn vriendin is een context voor mijn glimlach.

De gedachte aan mijn vriendin is een context voor mijn glimlach.

Hier zien we al dat het eerdere gedrag (denken aan mijn vriendin) mijn huidige gedrag beïnvloedt (glimlach). Met andere woorden, ik word geconfronteerd met een gedachte aan mijn vriendin (context) en daarop ga ik glimlachen (gedrag). We kunnen dit een historische context noemen, omdat eerder gedrag (historie) een contextuele factor is voor het huidige gedrag.

Laten we kijken naar nog een vergelijkbaar voorbeeld:

Ik loop buiten en hoor de vogels fluiten. Ik word hier blij van. Het blij gevoel maakt dat aan mijn vriendin denk en ik voel liefde voor haar. Ik heb ineens zin om iets lekkers voor haar te koken. Hierop ga ik boodschappen doen, etc….

Een opeenvolging van gedrag-in-contexten

De vogels zijn een context voor mijn blije gevoel. Mijn blije gevoel is een context voor het denken aan mijn vriendin, Mijn blije gevoel en de gedachte aan mijn vriendin is een context voor het denken aan wat ik voor haar ga koken. Dit vormt weer een context voor dat ik boodschappen ga doen, etc.

Zo een opeenvolging van gedrag wordt ook wel een stroom van gedrag genoemd (Barnes-Holmes, 2000). Wat er eerder in deze stroom is gebeurd heeft in bepaalde mate invloed op wat er nu gebeurt: Ik was misschien geen boodschappen gaan doen als ik niet aan mijn vriendin had gedacht of als ik niet buiten was gaan lopen. Wat er eerder is gebeurd heeft invloed op mijn huidige gedrag. Mijn eerdere gedrag wordt ook wel historische context of leergeschiedenis genoemd.

Andere geschiedenis is ander gedrag

Deze persoonlijke leergeschiedenis maakt dat de huidige context door verschillende mensen anders beleefd kan worden. Dat zien we terug in het volgende voorbeeld*:

Pieter is in een grote winkel, zo een winkel als de bijenkorf. Terwijl hij door de winkel loopt hoort hij via de omroep dat er zo meteen het brandalarm wordt getest. Vlak nadat dit is omgeroepen loopt Anneke de winkel binnen. Anneke heeft een jaar geleden een grote brand op kantoor meegemaakt. Het was een nare ervaring, waarbij haar collega’s ernstige brandwonden hebben opgelopen. Ze was er zelf gelukkig goed van af gekomen, maar het heeft wel een indruk achtergelaten bij haar. En nu loopt ze deze winkel binnen, zonder dat ze heeft gehoord dat het brandalarm getest wordt.

Bij het horen van het brandalarm rent Anneke rent in naar buiten. En Pieter loopt langzaam en fluitend de deur uit loopt, hij was toch al klaar met winkelen.

We zien hier dat eenzelfde gebeurtenis (het brandalarm) een ander gedrag op roept bij Anneke dan bij Piet. Dit komt door het verschil in geschiedenis. Pieter had een geschiedenis waarin hij hoorde via het omroepsysteem dat het brandalarm getest werd. Anneke heeft dat niet gehoord en had al eerder een nare ervaring met brand gehad (geschiedenis). Gezien de geschiedenis, reageerde Pieter anders op het brandalarm dan Anneke. Omdat het brandalarm niet hetzelfde gedrag oproept, is het een andere context voor Anneke dan voor Pieter (Barnes-Holmes, 2000). Dus: ook al ziet een context hetzelfde eruit (brandalarm), als het een ander gedrag oproept, is het niet dezelfde context.

Binnen het functioneel contextualisme zeggen we ook wel dat het brandalarm een andere functie heeft voor Anneke dan voor Pieter. Voor Anneke had het brandalarm de functie om snel weg te wezen. Voor Pieter had het brandalarm een neutrale functie, hij wandelde rustig naar buiten. Meer over functies en hoe die samenhangen met de leergeschiedenis lees je in het volgende artikel.

Jeugd en gezin

We kunnen de invloed van onze eigen geschiedenis ook zien in ons huidige gedrag. Wat we vroeger hebben meegemaakt, in onze jeugd, heeft ons gevormd tot wie we nu zien. Als kind zijn we in een continue wisselwerking met onze ouders, familie, school, vrienden, etc. Hoe deze wisselwerking is verlopen heeft invloed op hoe we ons nu gedragen. Onze jeugd is onderdeel van onze historische context of leergeschiedenis.

Ook broers en zussen beleven het gezin vanuit hun eigen historische context. Dat betekent dat ze niet dezelfde context en hebben niet dezelfde geschiedenis, ook al leven ze in hetzelfde gezin. Denk aan het brandalarm: Ook al delen ze eenzelfde uiterlijke context, deze context kan bij ieder in het gezin een ander gedrag oproepen, omdat we de situatie net anders beleven.

Stroom van gedrag

We hebben nu een aantal voorbeelden gezien waarbij we gedrag zien als een doorlopende wisselwerking tussen context en gedrag. Deze doorlopende wisselwerking kan je zien als een stroom (Barnes-Holmes, 2000). Een stroom, zoals een rivier, komt van de bergen. Misschien waren het hoge bergen of lage bergen. Misschien heeft het onderweg veel geregend of juist weinig. De stroom heeft een geschiedenis en dat beïnvloedt hoe de stroom zich nu beweegt (bijv.: snel of juist langzaam).

Zo heeft iedereen heeft zijn eigen stroom. Iedereen beleeft zijn leven vanuit zijn eigen stroom. Anneke en Pieter beleefde het brandalarm vanuit hun eigen stroom van gedrag.

Gedrag is als een stroom

Geschiedenis en Therapie

Wat zegt dit over therapie? Vanuit het Functioneel Contextualisme heeft de leergeschiedenis een belangrijke invloed op het huidige gedrag van de cliënt. Daarom wil je als therapeut graag weten hoe het eerdere gedrag eruit zag (bijv. in de jeugd) en hoe de context er toen uit zag (bijv. familiesituatie). Het beantwoorden van deze vragen helpt je om het huidige gedrag beter te begrijpen.

Dat betekent overigens niet dat je direct de geschiedenis hoeft uit te vragen. Het betekent eerder dat je er vanuit gaat dat het huidige gedrag voortkomt uit een geschiedenis, waardoor iemand nu doet wat hij doet.

Zo had ik een cliënt die, elke keer als ik contact met haar maakte, in haar hoofd schoot. Ik wist nog niet wat haar geschiedenis was en ik vond het nog niet het moment om dat te vragen. Wat ik wel heb gedaan is het volgende: ik heb het met haar erover gehad dat dit gedrag misschien wel een reden heeft dat ze dat doet, ook al weten we nog niet wat deze reden is.

Ik herinner me nog dat ze zei: ‘Ja, dat wil ik graag begrijpen!’ Daarop zei ik: ‘Dat snap ik, alleen dat weten we nu nog niet. We weten alleen dat het heel waarschijnlijk is dat er reden is dat je dit doet, welke reden dat precies is, dat weten we niet’.

Zodra ze kon loslaten dat ze de reden nu nog niet hoefde te weten gebeurde er iets. Dat er reden was, ook al wist ze die nog niet, maakte dat ze het een beetje kon accepteren dat ze zo in haar hoofd schoot en er meer ruimte ontstond om te kijken naar dit gedrag.

In dit voorbeeld wist ik nog niet wat de geschiedenis was, ik wist wel dat de geschiedenis heeft bijgedragen aan dit gedrag. Ik heb, voor nu, de dynamiek zo bewogen, dat er later ruimte is om te kijken wat er in haar verleden is gebeurd dat ze nu in haar hoofd schiet.

Wat ik met dit voorbeeld wil laten zien, is dat er andere mogelijkheden zijn om met deze geschiedenis om te gaan, dan om het aan het begin direct uit te vragen. Ik heb het nu zo ingezet dat het later mogelijk ruimte geeft aan een gedragsverandering.

Gedragsverandering: de stroom van richting laten veranderen

Gedragsverandering kun je zien als of de doorlopende stroom van richting verandert. De geschiedenis maakt dat deze stroom een bepaalde kracht en een bepaalde richting heeft. Deze stroom is niet zomaar van richting te veranderen.

Als we terugpakken op het laatste voorbeeld, met de cliënt die snel in haar hoofd schiet en veel denkt. Stel dat ik zo iets zou zeggen als: ‘Stop maar even met denken.’ Zou dat lukken? Ik denk het niet. Het denken is voor deze cliënt een stroom die niet zomaar van richting verandert. Het heeft ook reden waarom ze dit doet, dus dit gedrag zal niet zomaar stoppen. Zelfs als ze van zichzelf vindt dat het NU moet stoppen, dan nog stopt het niet.

Gedrag heeft een bepaalde vaart, een bepaalde kracht, net zoals een rivier die van een berg stroomt. Deze stroom buig je niet in één keer om. Veel cliënten willen zo snel mogelijk van hun klachten af. Maar ik verwacht niet dat ze zo snel veranderen. Sterker nog, ze hoeven van mij niet eens te veranderen (dat is een ander verhaal, meer daarover kan je hier lezen). Omdat het gedrag een historische reden heeft én met een bepaalde vaart doordendert, verwacht ik niet dat het gedrag zo makkelijk om te buigen is.

 

Net als een stroom, heeft gedrag een bepaalde vaart

Als dat gedrag zo een vaart heeft, dan hebben grote interventies niet altijd een groot effect. Een grote steen in een rivier werpen, daar gaat de rivier omheen en stroomt daarna weer zijn oude weg. Zo een grote steen geeft je ook niet heel veel mogelijkheden in het veranderen van de stroom. Als je een grote interventie doet, dan kan het zijn dat je cliënt zich even anders gedraagt of voelt, maar op lange termijn zijn oude gedrag (stroom) weer oppakt.

Een grote interventie hoeft niet per se een groot effect te hebben.

Heel veel kleine steentjes in de rivier gooien op plekken waar je ze precies wil hebben, daardoor kan je de rivier van richting laten veranderen. Zo kan je het ook zien met de stroom van gedrag. Door kleine dingen te doen kan je langzaam deze stroom van richting laten veranderen.

Wat bedoel ik met kleine dingen? Een voorbeeld van wat ik vaker doe, is dat ik kleine complimentjes geef als mensen binnenkomen. Meestal iets over hun kleding of zo: ‘Leuke kleur die trui, staat je goed!’ De eerste keer gebeurt er niet zo veel en gaat de stroom weer z’n gewone weg. De cliënt zegt dan misschien zo iets als: ‘O ja, die heb ik gewoon maar bij de kringloop gekocht hoor’. Maar als ik veel van die kleine dingen doe, verandert de stroom op een gegeven moment van richting. Als ik hetzelfde compliment veel later, tegen het einde van de therapie, nog eens maak, krijg ik een reactie als: Oh, dankjewel, ja ik ben er ook erg blij mee. In de tussentijd hebben al die kleine complimentjes aan deze verandering bijgedragen.

Zo zijn er heel veel kleine dingen die ik doe: Zo zeg ik vaak ‘Fijn om je weer te zien’, ik heet mensen welkom, schenk wat te drinken in, ik voer therapie in een huiselijke ruimte, er staan geen tafels tussen mij en de cliënt in, etc. Eigenlijk bestaan al mijn sessies uit een aaneenschakeling van allemaal kleine dingen. Ik krijg dan ook vaak aan het einde van een traject te horen van cliënten: ‘Het gaat echt beter met me, maar ik weet niet hoe dat gekomen is’. Dat is gekomen door allemaal kleine dingen, zonder één groot aanwijsbaar iets.

Heel veel kleine interventies kunnen de stroom van richting laten veranderen.

Overigens is het zo dat de eerste kleine steen die je in het water gooit, niet zoveel doen. Vanuit dit perspectief hoeft er in het begin niet veel te gebeuren in de therapie, want dan ben je nog de eerste steentjes aan het leggen, terwijl de stroom op z’n oude manier door dendert. Deze manier van werken vraagt geduld en vertrouwen van zowel de cliënt als de therapeut.

Geen protocollen

Vanuit het functioneel contextualisme is een protocol een beetje een vreemde gedachte. Iedere methode is als het brandalarm. Uiterlijk kan het hetzelfde eruit zien, maar het kan een ander gedrag oproepen bij de een dan bij de ander. Vanuit het functioneel contextualisme verwacht je niet dat elke interventie of methode hetzelfde effect heeft bij iedereen. Alles wat je doet en zegt, is maatwerk, afgestemd op de persoon. Elk klein steentje gooi je precies daar, waar hij passend is voor de cliënt. Zo sluit je aan bij het gedrag en de geschiedenis van de individuele cliënt. Je behandelt iedereen vanuit zijn eigen stroom.

Als therapeut heb je zelf ook een stroom van gedrag. Je hebt ook een persoonlijke en unieke stroom. Dus de manier waarop jij therapie geeft, zo kan niemand anders dat doen. Marjolein Vleugel is een goede collega en vriendin van me. We zeggen wel eens tegen elkaar dat we hetzelfde doen. In onze gesprekken over het werk merken we ook dat we dezelfde uitgangspunten hebben. Alleen we hebben ook onze eigen stijl en voorkeuren. Zo ben ik bijvoorbeeld vaak iets directer in mijn aanpak en zij is vaak wat subtieler in haar aanpak. Binnen het Functioneel Contextualisme is dat geen enkel probleem. We hoeven niet hetzelfde te doen, om toch hetzelfde te bereiken. In het volgende artikel gaan we hier verder op in.

Volgende artikel

Volgende keer gaan we het dus hebben over waar het woord ‘Functioneel’ voor staat in ‘Functioneel Contextualisme. Wat is de functie van gedrag en waarom is het belangrijk?

Meer weten over deze manier van werken?

Wil je ook op deze manier leren therapie te geven? Kom dan naar de cursus: Relational Frame Theory in de Praktijk of volg de 3-jarige opleiding in Procesgerichte Interactieve Therapie.

Vrijwillige bijdrage

Ik vind het belangrijk dat deze kennis vrij toegankelijk is. Vond je dit artikel waardevol? Dan kun je me hier steunen met een vrijwillige bijdrage.

*Het voorbeeld wat hier genoemd is, is geïnspireerd op het voorbeeld wat Dermot Barnes-Holmes (2000) gebruikt in zijn artikel ‘Behavioral pragmatism: No place for reality and truth.’

Referenties

Barnes-Holmes, D. (2000). Behavioral pragmatism: No place for reality and truth. The Behavior Analyst23, 191-202.

Pepper, S. C. (1942). World hypotheses: A study in evidence (Vol. 31). Univ of California Press.

 

Functioneel Contextualisme: Gedrag in Context

Functioneel Contextualisme: Gedrag in Context

Functioneel Contextualisme: Gedrag in Context

Deze blog is onderdeel van de reeks ‘het RFT-woordenboek‘. RFT staat voor Relational Frame Theory. Dat is een geweldige theorie over hoe taal en ons gedrag samenhangen. RFT kan voor nieuwkomers wat uitdagend zijn om in te komen. Het heeft veel woorden die haast wel een vreemde taal lijken. Daarom zijn deze blogs er, als een soort woordenboek voor RFT. De dikgedrukte woorden in de tekst vind je terug in het woordenboek.

Eerder hebben we gezien dat waarheid afhankelijk kan zijn van je wereldbeeld. Het contextualisme is zo een wereldbeeld. Binnen de psychologie is er een stroming die zich baseert op dit wereldbeeld, genaamd het Functioneel Contextualisme (FC). Het Functioneel Contextualisme is het gedachtegoed waarop de Relational Frame Theory (RFT) en Procesgerichte Interactieve Therapie (PiT) op gebaseerd zijn. In de komende artikelen gaan we dieper in op wat het Functioneel Contextualisme is. In deze blog leg ik je uit hoe het Functioneel Contextualisme gedrag en context ziet en zal ik dieper ingaan op welke plek de therapeut hierin inneemt.

Mocht je het artikel over contextualisme nog niet gelezen hebben, dan is het aan te raden om dat eerst te doen. Klik hier voor het artikel over het contextualisme.

Gedrag in context

Het Functioneel Contextualisme is een vorm van het contextualisme. Het contextualisme is een wereldbeeld wat er vanuit gaat dat alles beschouwd kan worden als een actie in context. De actie en de context zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en vormen samen één geheel. In het artikel over contextualisme hebben we gezien dat van tevoren niet vast staat wat actie is en wat context is. Alles kan in wezen actie of context zijn. De actie is meestal datgene waarin men primair geïnteresseerd in is. De mensen die het functioneel contextualisme bedacht hebben waren wetenschappers en behandelaren in de psychologie, die primair geïnteresseerd waren in het gedrag (van mensen). Zodoende is gedrag de actie en al het overige is context voor het gedrag. Het functioneel contextualisme richt zich dus op gedrag in context. Laten we dit eens bekijken aan de hand van een ons eerdere voorbeeld uit het artikel over het contextualisme: de man in de regen.

Doet een krant boven zijn hoofd (gedrag) in de regen (context)

Iemand loopt in de regen met een krant boven zijn hoofd. Het gedrag van deze persoon is dat hij een krant boven zijn hoofd houdt in de context van de regen. Zoals we eerder bij het contextualisme hebben gezien, zou het heel raar zijn om dit gedrag los te zien de regen. Dan zouden we alleen iemand zien die een krant boven zijn hoofd houdt.

De krant boven het hoofd houden is alleen logisch als we de context meenemen waarin dat gebeurt, namelijk de regen. De krant boven het hoofd houden en de regen vormen samen één logisch geheel. Anders gezegd, het gedrag en de context vormen één geheel. Als een functioneel contextualist ‘gedrag’ zegt, dan bedoelt hij impliciet gedrag-in-context, want het gedrag en de context zijn voor hem onlosmakelijk met elkaar verbonden (Gifford & Hayes, 1999, De Groot et al., 2015).

Gedrag zonder context is vreemd

Gedrag is alles wat je doet

We zijn gewend om over gedrag te praten alsof het anders is dan denken en voelen. Met gedrag wordt in de spreektaal meestal uiterlijk waarneembaar gedrag bedoelt, wat ik iemand zie doen. Bijvoorbeeld, Ik kan zien dat iemand hout zaagt, dat is uiterlijk gedrag. Ik kan niet zien dat iemand denkt over hoe lekker het weer is, terwijl hij hout zaagt. Binnen het Functioneel Contextualisme ziet men dat anders.

Het Functioneel Contextualisme ziet men denken, voelen en doen allemaal als gedrag. Er wordt hierin geen onderscheid gemaakt. Het zijn namelijk allemaal manieren om met de context om te gaan. Dat iemand denkt ‘hmmm, wat een lekker zonnetje’ is een logisch gedrag in de context van lekker weer. Dat is niet heel veel anders dan met houthakken in de context dat iemand misschien een lekker vuurtje wil stoken ’s avonds en dat het nu lekker weer is om buiten hout te hakken.

Context: datgene waar je mee geconfronteerd wordt

Een andere manier om gedrag in context te begrijpen is als volgt: we doen altijd iets aan de hand van waarmee we geconfronteerd worden (Gardner, 1989). Datgene waarmee we geconfronteerd worden kunnen we de context noemen. Confrontatie heeft een beetje een negatieve lading, maar in dit geval bedoel ik dat niet zo. Ik bedoel daarmee dat we niet in een leegte leven. Integendeel, in ons en om ons heen zijn er continu gebeurtenissen die we tegenkomen waarmee we geconfronteerd worden en mee interacteren. Je wordt bijvoorbeeld nu geconfronteerd met deze tekst en je interacteert er mee. Je leest het, je probeert het misschien te begrijpen, misschien is er een gevoel van herkenning, of misschien wel verwarring. Hoe dan ook, je doet iets met deze tekst en de tekst doet iets met jou. Je wordt met iets geconfronteerd en je doet er iets mee. Dat gebeurt niet alleen met de regen of deze tekst, maar dat gebeurt met alles waarmee we geconfronteerd worden in ons leven, in ons en om ons heen.

Context binnen ons

De regen en de tekst waren zaken die buiten ons gebeuren, waarmee we geconfronteerd worden. Er zijn ook gebeurtenissen in onszelf denkbaar waarmee we geconfronteerd worden, waar we iets mee doen. Ons eerdere gedrag, zoals gevoelens en gedachten, kunnen context zijn voor ons huidige gedrag. Laat ik dit duidelijk maken met een voorbeeld:

De gedachte aan mijn vriendin maakt me blij en verliefd en ik ga lekker tegen haar aan liggen. De gedachte aan mijn vriendin is een context voor mijn blijdschap en gevoel van liefde. Deze gebeurtenis is op zijn beurt een context voor het gedrag dat ik tegen haar aan ga liggen.

 

De gedachte aan mijn vriendin is een context voor mijn glimlach

We kunnen dit een historische context noemen, omdat eerder gedrag (historie) een contextuele factor is voor het huidige gedrag. Dit onderwerp verdient zijn eigen artikel, dus in het volgende artikel gaan we hier verder op in.

Andere gebeurtenissen die binnen ons gebeuren zijn biologische processen, zoals onze hormoonhuishouding, ons DNA, of neurologische activatie. Biologische processen die invloed hebben op gedrag worden ook gezien als context voor gedrag (Biglan & Hayes, 2015). Belangrijk om te melden is dat de biologische processen dus geen oorzaak zijn voor het gedrag, maar slechts één van de contextuele factoren die het gedrag kunnen beïnvloeden.

Ik hoop dat je een beetje een beeld hebt met wat er bedoeld wordt met gedrag en met context. Laten we nu kijken wat dit betekent voor de rol van de therapeut.

De therapeut is context van de cliënt

Tijdens therapie wordt de cliënt geconfronteerd met de therapeut en daar moet de cliënt iets mee. Zodoende is de therapeut een onderdeel van de context van de cliënt z’n gedrag (Hayes & Hayes, 1992). Deze confrontatie met de therapeut is een continu proces in therapie. Wat je als therapeut doet, heeft van moment tot moment (doorlopend) invloed op de cliënt. Ook kleine dingen kunnen hierbij een invloed hebben (bijv.: een kopje thee inschenken, welkom heten, hoe je erbij zit, hoe je jezelf voelt, etc.).

Natuurlijk wordt de therapeut op zijn beurt geconfronteerd met de cliënt. Als de cliënt iets zegt of doet, dan moet de therapeut iets mee. Op deze manier heeft de cliënt logischer wijs ook invloed op het gedrag van de therapeut. De cliënt is daarmee de context van de therapeut. De therapeut en de cliënt zijn elkaars context voor hun eigen gedrag.

Je kan de therapie zien als een dans, waarbij de therapeut een stap zet, daarop zet de cliënt een stap, de therapeut weer, dit gaat zo door in een continue dynamiek waarbij de cliënt en de therapeut met elkaar geconfronteerd worden. De kunst is, voor de therapeut, om deze beweging, deze dans, vanuit deze doorlopende interactie een richting te geven die helpend is voor de cliënt.

 

Therapie is als een dans waarbij de cliënt en de therapeut bewegen in een doorlopende interactie.

Dit betekent dat niet alleen de methodes van de therapeut belangrijk zijn. Nee, alles wat de therapeut doet en is, is van belang. Want de cliënt wordt met de héle therapeut geconfronteerd. Eigenlijk is de therapeut de interventie. Zelfs als je als therapeut niks doet, roept dat nog steeds een gedrag op bij de cliënt. Stel je maar voor dat een therapeut niks zegt en je aankijkt, dat doet iets met je, als cliënt. Dus wat je als therapeut ook doet, niks of iets, de cliënt wordt geconfronteerd met jou als therapeut. De therapeut zelf is dus van wezenlijk belang in de interactie met de cliënt.

Omdat de therapeut zelf zo een wezenlijk onderdeel vormt bij therapie, is het voor de therapeut gunstig om zichzelf en zijn eigen gedrag te kennen. Dat kan gedrag zijn wat je als therapeut misschien nog onbewust doet, bijvoorbeeld strategieën die je hebt om pijnlijke ervaringen te vermijden (bijv.: afgewezen worden). Ook met dit gedrag van de therapeut kan de cliënt geconfronteerd worden, zonder dat je daar zelf erg in hebt. Daarom is het vanuit deze visie verstandig om leertherapie en supervisie te volgen, of te sparren met fijne collega’s, etc. Zo leer je jezelf steeds beter kennen als therapeut en heb je meer keuzes om bepaald gedrag wel of niet te doen in interactie met je cliënt. Op deze manier kan je de therapeutische interactie gerichter vormgeven.

Aan de andere kant is het ook zo dat de cliënt geconfronteerd wordt met aspecten van jou als therapeut, waar je zelf niks aan kan veranderen. Bijvoorbeeld, of je dezelfde taal spreekt (bijv. dialect), van welke afkomst je bent, je gender, je culturele achtergrond, noem maar op. Dit kan allemaal van invloed zijn op hoe de cliënt met jou als therapeut interacteert. Een cliënt kan zich soms meer op z’n gemak of veiliger voelen bij iemand die overeenkomt met zichzelf. Het kan fijn zijn om niet alles te hoeven uitleggen, juist omdat je ervaringen of een cultuur deelt. Of dat je als therapeut juist bepaalde woorden uit je dialect kan gebruiken die goed aanslaan bij de cliënt. Er wordt wel eens gezegd dat er een klik moet zijn tussen de therapeut en de cliënt. Dit zijn dingen die de klik tussen therapeut en cliënt kunnen versterken.

Samenvatting

We hebben in dit eerste deel gezien hoe het Functioneel Contextualisme de ‘actie in context’ interpreteert. We hebben gezien dat gedrag waar men in geïnteresseerd is als de actie wordt gezien en de rest als context. Het Functioneel Contextualisme ziet alles wat iemand doet als gedrag, ook denken en voelen.

Context kan worden gezien als datgene waarmee iemand geconfronteerd wordt. Deze context kan zowel binnen de persoon als buiten de persoon plaatsvinden. In therapie is de therapeut onderdeel van de context van de cliënt. Op zijn beurt is de cliënt de context van de therapeut. Op deze manier interacteren de therapeut en cliënt met elkaar in een doorlopende interactie. Deze interactie kan gezien worden als een dans tussen therapeut en cliënt.

Volgende artikel

Zoals we hebben gezien in het artikel over het contextualisme, is de actie in context een doorlopend, continu proces. In het volgende artikel we dieper in op hoe het Functioneel Contextualisme omgaat met dit doorlopende karakter van het contextualisme.

Vrijwillige bijdrage

Ik vind het belangrijk dat deze kennis vrij toegankelijk is. Vond je dit artikel waardevol? Dan kun je me hier steunen met een vrijwillige bijdrage.

Referenties

Biglan, A., & Hayes, S. C. (2015). Functional contextualism and contextual behavioral science. The Wiley handbook of contextual behavioral science, 37-61.

De Groot, F., Corthouts, J., A-Tjak, J., Kleen, M., & Rokx, A. (2015). Theoretische achtergronden van ACT. Acceptance & Commitment Therapy: Theorie en praktijk, 3-11.

Gardner, W. M. (1989). A comparison of Skinner’s “Verbal Behavior” to Kantor’s “Psychological Linguistics.” Unpublished manuscript, Jacksonville State University.

Gifford, E. V., & Hayes, S. C. (1999). Functional contextualism: A pragmatic philosophy for behavioral science. In Handbook of behaviorism (pp. 285-327). Academic Press.

Hayes, S. C., & Hayes, L. J. (1992). Some clinical implications of contextualistic behaviorism: The example of cognition. Behavior Therapy23(2), 225-249.