Dualisme en Mechanisisme

Dualisme en Mechanisisme

Dualisme en Mechanisisme

Deze blog is onderdeel van de reeks ‘het RFT-woordenboek‘. RFT staat voor Relational Frame Theory. Dat is een geweldige theorie over hoe taal en ons gedrag samenhangen. RFT kan voor nieuwkomers wat uitdagend zijn. Het heeft veel woorden die haast wel een vreemde taal lijken. Daarom zijn deze blogs er, als een soort woordenboek voor RFT. De dikgedrukte woorden linken naar eerdere blogs of de woordenlijst van het RFT-woordenboek.

De komende blogs gaan over het doel van het functioneel contextualisme. Binnen het contextualisme is de waarheid afhankelijk van het doel. Iets is namelijk waar als het werkt voor een specifiek doel. Het functioneel contextualisme wordt niet geheel toevallig gekenmerkt door zijn doel: Gedrag beïnvloeden en voorspellen met nauwkeurigheid, bereik en diepte. Om het concept van ‘waarheid’ binnen het functioneel contextualisme goed te begrijpen, is het essentieel om dit doel te snappen.

Het functioneel contextualisme wordt gekenmerkt door zijn doel.

Om dit doel te doorgronden, zullen we het in deze en komende blogs uitgebreid behandelen. We beginnen met het verkennen van wat ‘gedrag beïnvloeden en voorspellen‘ precies inhoudt. In latere blogs zullen we dieper ingaan op het aspect van ‘nauwkeurigheid, bereik en diepte’.

Gedrag beïnvloeden wordt bemoeilijkt in de meest populaire stroming in de psychologie: de cognitieve psychologie. Om uit te leggen waarom dat zo is, moet ik wat vertellen over het mechanisisme en het Cartesiaans dualisme. Eerder hebben we al gezien dat de cognitieve psychologie gebaseerd is op het mechanisisme.

Het Cartesiaans Dualisme wordt ook wel lichaam – geest dualisme genoemd en hangt nauw samen met de wetenschapsfilosofie van het mechanisisme. Mocht je de eerdere blog over het mechanisisme nog niet gelezen hebben, dan raad ik je aan om dat eerst te doen. De blog van vandaag gaat over de relatie tussen het Cartesiaans Dualisme en het mechansisime.

Het dualisme van René Descartes (Cartesiaans Dualisme)

Het Cartesiaans Dualisme is vernoemd naar René Descartes. Descartes was een filosoof uit de 17e eeuw. Je kent hem misschien van de woorden ‘Ik denk, dus ik ben’ (Cogito ergo sum). Hij wilde graag weten hoe je iets zeker kon weten. Hij maakte het zichzelf wel moeilijk, want hij vond dat je in principe aan alles kon twijfelen. Je kan twijfelen aan het bestaan van wereld, aan het bestaan van God, aan het bestaan van de stoel waar je op zit, etc. Als je aan alles kan twijfelen, dan kan je dus nooit iets zeker weten.

Gelukkig had Descartes een oplossing: het enige waar hij niet aan kon twijfelen, was dat hij twijfelde. Op deze manier kon hij er zeker van zijn dat hij twijfelde en dat zijn ‘twijfelen’ bestond. Twijfelen was een gedachte, zo redeneerde hij. Dus, als twijfelen bestond, dan bestonden gedachten ook. En aangezien hij de denker was van zijn gedachten en gedachten waren echt, bestond hij, zo concludeerde Descartes. Daarom de uitspraak ‘ik denk, dus ik ben’. De geest of de ziel (voor Descartes hetzelfde) was hetgeen wat dacht. Voor Descartes was de geest echt.

De geest bestaat volgens Descartes.

Naast de geesteswereld had je de materiële wereld. Het lichaam was onderdeel van de materiële wereld. Descartes redeneerde dat de geesteswereld van een andere substantie gemaakt was dan de materiële wereld. Gedachten kon je namelijk niet doorsnijden in meerdere stukken en appeltaart of je vingers wel (dat laatste zou ik niet proberen, maar het kan wel). Dus materie en geest waren gescheiden en substantieel anders. De twee werelden waren zelfs zo anders dat er andere natuurwetten (lees: processen) golden voor de geesteswereld dan voor de materiële wereld.

Lichaam – Geest dualisme: De geesteswereld is gescheiden van de materiële wereld

Dit is het idee van het dualisme in een notendop: geest (of ziel) en lichaam (of materie) zijn afgescheiden werelden die beiden onafhankelijk van elkaar bestaan. Dit dualisme wordt ook wel lichaam – geest dualisme genoemd.

Nou zeg ik dat ze compleet gescheiden zijn, maar dat klopt net niet helemaal. Descartes was er namelijk wel van overtuigd dat de geest het lichaam kon beïnvloeden en andersom. Dit gebeurde volgens hem in de pijnappelklier, die hij ook wel de zetel van de ziel noemde. De pijnappelklier is een gedeelte van de hersenen, die ook wel epifyse wordt genoemd. Dus lichaam en geest zijn compleet gescheiden, behalve op één plek waar ze samen komen, in de pijnappelklier. Alleen daar vindt de interactie plaats tussen lichaam en geest.

Interactie vindt plaats in de pijnappelklier in de hersenen

Andermans geest is niet waar te nemen

Jouw geest is alleen direct waar te nemen voor jou. Anderen kunnen niet waarnemen wat je denkt (de gedachte: ik heb zin in een frietje, kan niemand anders waar nemen). Anderen kunnen wel waarnemen wat je lichamelijk doet (bijv.: praten, lopen, ademen). Wat je doet met je lichaam, is onderdeel van de materie. Wat je denkt, is onderdeel van de geest. Materiële dingen zijn wel direct waarneembaar voor iedereen, dingen van de geest zijn niet direct waarneembaar voor iedereen.

De geesteswereld van de ander is niet direct waar te nemen, de materiële wereld wel.

Achtergrond René Descartes

Waarom was dit idee zo populair? Lang voor Descartes had de kerk een geschiedenis waarin ze niet per se negatief stonden tegenover wetenschap. In de tijd van Descartes was dat anders, de katholieke kerk lag namelijk nogal onder vuur. Ten eerste was het Protestantisme net opgekomen. De protestanten vonden dat ze zelf mochten bepalen hoe ze de bijbel interpreteerden en hadden de katholieke kerk daar niet meer voor nodig. Daarnaast waren er wetenschappelijke bevindingen die de bijbel tegenspraken. Zo waren er meerdere ontdekkingen dat de zon niet om de aarde draait, maar de aarde om de zon. Met de komst van het protestantisme kwam de wetenschappelijke kritiek op de Bijbel niet zo goed uit. Die twee gebeurtenissen tegelijk zorgde ervoor dat de katholieke kerk bang was aan autoriteit te verliezen en reageerde daardoor fel op de wetenschappelijke kritiek.

René Descartes was zelf een Jezuïet en zeer geïnteresseerd in de wetenschap. Hij zat tussen twee werelden in die met elkaar in conflict waren. Descartes had hier een mooie oplossing voor: De ziel is het domein van de kerk en de materie is het domein van de wetenschappers. Die twee domeinen zijn toch gescheiden, dus hoeven de kerk en de wetenschap geen ruzie te maken over het domein van de ander. De kerk zegt niks over de wetenschap en de wetenschap zegt niks over de kerk.

De kerk ging over de geesteswereld en de wetenschap over de materiële wereld

Je kan het je een beetje voorstellen als twee kinderen die ruzie maken over een stuk speelgoed. Je deelt het speelgoed in tweeën, zet ieder kind in een hoek en zegt: “Ga maar met je eigen speelgoed spelen. Het speelgoed van de ander is niet belangrijk voor jou, geen ruzie meer maken.”

Wat je met de komst van Descartes ziet, is dat de wetenschap meer ruimte kreeg om onderzoek te doen. Onderzoek wat niet hoefde te passen bij de kerk en de bijbel. Er wordt ook wel gezegd dat de Verlichting begon bij René Descartes en het is zeker niet vreemd om dit zo te zeggen.

Dualisme en het mechanisisme

In een eerder artikel hebben we het mechanisisme als filosofische uitgangspunt al uitgebreid behandelt. Daarin zagen we dat het mechanisisme ervan uit gaat dat alles in het leven als een machine gezien kan worden. René Descartes dacht zelf ook dat de wereld werkte als een machine. Het Cartesiaans Dualisme en het mechanisisme sluiten dan ook naadloos op elkaar aan. Hieronder volgt nog een korte samenvatting van het mechanisisme, waarna we verder ingaan op hoe het samenhangt met het dualisme. 

Mechanisisme: de wereld werkt als een machine

Binnen het mechanisisme gaat men ervan uit dat alles in de wereld gezien kan worden als een machine. Een machine wordt gekenmerkt door een input, een verwerking en een output. De verwerking is gemaakt van verschillende onderdelen. Elk onderdeel heeft zijn eigen functie.

Je kan een theoretisch model maken van hoe je denkt dat de functies eruit kunnen zien. Zo een theorie zou je kunnen zien als de blauwdruk van de machine. In een blauwdruk worden ook de functies van een machine beschreven. Zo theoretisch model is een verklaring waarom de machine werkt zoals hij werkt.

Een theorie is als een blauwdruk

Als we een nieuw mechanisme tegenkomen in de natuur, dan weten we niet wat de functies zijn van de machine. Het mechanisme wordt als het ware zonder blauwdruk geleverd. Wel kunnen we de input en de output van het mechanisme waarnemen. En als we de machine uit elkaar halen kunnen we ook de verschillende onderdelen waarnemen. Maar de functies van de onderdelen kunnen we niet direct waarnemen, zelfs niet als we de machine uit elkaar halen.

De verwerking is dus zowel waarneembaar als niet waarneembaar. De fysieke onderdelen zijn waar te nemen en de functies van de onderdelen zijn niet waar te nemen. We kunnen wel theorieën verzinnen over wat de functies zouden kunnen zijn. En we denken dat de theorieën beter zijn als we meer weten over de onderdelen, de input en de output. Maar ondanks dat blijft het een gegeven dat de functies van de machine nooit direct waargenomen kunnen worden.

Fysieke onderdelen zijn wel waar te nemen, maar de functies van de onderdelen zijn niet waarneembaar.

Met behulp van onderzoek worden theorieën gemaakt over wat de functies zijn van de machine zouden kunnen zijn. Vanuit het dualisme is men van mening dat we de functies kunnen achterhalen door te kijken hoe de verschillende onderdelen in de machine werken en hoe ze de input verwerken tot de output. Tenminste dat is het idee.

Omdat we de functies zelf niet kunnen waarnemen, kunnen we ze eigenlijk ook niet verifiëren. De theorieën over de functies bevinden zich afgescheiden van de plek waar onderzoek gedaan wordt. Theorieën hebben betrekking op de niet waarneembare wereld en onderzoek op de waarneembare wereld. Op deze manier zijn theorie en onderzoek gescheiden van elkaar. We kunnen theorieën maken, maar ze nooit bevestigen of ontkrachten. Zodoende weten we eigenlijk niet wat de relatie is tussen onderzoek en theorie, tussen fysieke onderdelen en hun functie. Het zijn de filosofische aannames van het dualisme die ons verhinderen om deze relatie te kunnen weten.

Theorie en onderzoek zijn gescheiden werelden.

Dat we de functies van de machine niet kunnen waarnemen vormt een obstakel voor onderzoek. Door de machine en de onderdelen zelf te onderzoeken hopen de onderzoekers op een indirecte manier toch inzicht te krijgen in de functies. Anders gezegd: Doordat de functies niet waar te nemen zijn, hoopt men met onderzoek de werkelijke functies zo goed mogelijk te benaderen. Dit is heel belangrijk, in het dualisme is onderzoek altijd gericht op een benadering van de functies en kan men de functies van de machine of zijn onderdelen nooit werkelijk bewijzen of bevestigen. Een ander woord voor een benadering is een proxy.

Proxy’s

Proxy’s worden gebruikt als men niet direct hetgeen kan meten waar men in geïnteresseerd is. Men meet dan iets anders, waarvan men meent dat het een relatie heeft met hetgeen waarin men geïnteresseerd is.

Men heeft geen gegevens over inkomen

Bijvoorbeeld, men wil weten wat de inkomens zijn in Nederland, maar men beschikt niet over de directe gegevens van de inkomens van alle Nederlanders (bijv.: vanwege privacy). Wat men wel weet, is hoe duur het ongeveer moet zijn om in een bepaalde wijk te wonen en wijken hebben postcodes. Als je in een wijk of op een postcode woont met dure huizen, heb je waarschijnlijk ook een hoger inkomen en andersom. Hoeveel mensen in een bepaalde wijk of op een bepaalde postcode wonen, aan die gegevens is wel te komen.

Huizen op deze postcode zijn relatief duur

Wat er dan gedaan wordt, is dat men gaat kijken hoeveel mensen op een bepaalde postcode wonen, om zo de inkomens te schatten van de Nederlanders. Omdat men een relatie aanneemt tussen postcode en inkomen, kan men met postcodes onderzoeken hoeveel het inkomen van Nederlanders is. Omdat men de relatie aanneemt wordt ‘postcode’ een proxy voor ‘inkomen’. De postcode benadert het inkomen.

Een duur huis betekent waarschijnlijk een hoog inkomen

Binnen het Cartesiaans dualisme wordt de relatie aangenomen tussen lichaam en geest. Net zo wordt bij het mechanisisme de relatie aangenomen tussen de fysieke onderdelen van de machine en hun functies. Op basis van deze veronderstelde relatie worden proxy’s gebruikt als meetinstrument om de functies van de machine te meten.

De stippellijn relatie is een aanname, waarop proxy’s gebaseerd zijn.

Er is wel een belangrijk verschil tussen de proxy van het inkomen (postcode) en een proxy van een theoretisch proces (meeting in onderzoek). In principe kunnen we het inkomen wel kunnen waarnemen. We kunnen de relatie verifiëren tussen inkomen en postcodes als we dat zouden willen. We zouden bijvoorbeeld bij 100 mensen de relatie tussen inkomen en de huizenprijzen in hun postcodegebied verifiëren. Als de relatie klopt, dan kunnen we in de toekomst postcodes gebruiken om inkomen te meten. In het dualisme is de relatie tussen een theoretisch proces en een meeting niet te verifiëren, omdat de theoretische processen zelf nooit waarneembaar zijn. De proxy in het dualisme is dus altijd gebaseerd op een volstrekt hypothetische relatie.

Volgende blog

Het mechanisisme is ook de basis van de populairste en bekendste stroming in de psychologie: de cognitieve psychologie. Ook de cognitieve psychologie is gebaseerd op het dualisme. In de volgende blog zullen we zien welke consequenties het dualisme heeft op onderzoek en therapie in de cognitieve psychologie. Hierin zullen we ook dieper ingaan op beïnvloeden en voorspellen van processen en de rol van proxy’s bij de cognitieve psychologie.

Meer leren?

Wil je meer weten? Kom dan naar de cursus: Relational Frame Theory in de Praktijk of bekijk de 3-jarige opleiding voor Procesgerichte Interactieve Therapie. Er is ook een gratis webinar die je kan volgen, waarin je een introductie krijgt in Procesgerichte Interactieve Therapie.

Vrijwillige bijdrage

Ik vind het belangrijk dat deze kennis vrij toegankelijk is. Vond je dit artikel waardevol? Dan kun je me hieronder steunen met een vrijwillige bijdrage.

 

Functioneel Contextualisme: Wat is er zo Functioneel aan?

Functioneel Contextualisme: Wat is er zo Functioneel aan?

Functioneel Contextualisme: Wat is er zo Functioneel aan?

Deze blog is onderdeel van de reeks ‘het RFT-woordenboek‘. RFT staat voor Relational Frame Theory. Dat is een geweldige theorie over hoe taal en ons gedrag samenhangen. RFT kan voor nieuwkomers wat uitdagend zijn. Het heeft veel woorden die haast wel een vreemde taal lijken. Daarom zijn deze blogs er, als een soort woordenboek voor RFT. De dikgedrukte woorden linken naar eerdere blogs of de woordenlijst van het RFT-woordenboek.

Eerder in deze reeks hebben we gezien dat de wetenschapsfilosofie van functioneel contextualisme ‘gedrag’ ziet als gedrag in context. Dat betekent dat men iets doet (gedrag) ten aanzien van waarmee men geconfronteerd wordt (context). Bijv.: Iemand wordt geconfronteerd met de regen (context) en doet een krant boven zijn hoofd (gedrag). In deze blog gaan we verder in op wat het Functioneel Contextualisme bedoelt met het woord ‘Functioneel’.

Gedrag heeft een functie

Vanuit het Functioneel Contextualisme gaat men ervan uit dat elk gedrag een functie heeft binnen de context. Bijvoorbeeld, een krant boven je hoofd houden in de regen doe je, omdat je het onprettig vindt om nat te worden. Het heeft als functie om niet nat te worden/droog te blijven.

Iemand wordt geconfronteerd met de regen (context) en doet een krant boven zijn hoofd (gedrag) om niet nat te worden (functie).

De functie van de krant boven het hoofd te doen is om niet nat te worden.

Bij het functioneel contextualisme is men niet zo geïnteresseerd in hoe gedrag eruit ziet (ook wel de topografie van het gedrag genoemd). Men is voornamelijk geïnteresseerd in de functies van het gedrag binnen de context. Twee gedragingen die hetzelfde eruitzien kunnen dezelfde functie hebben. Zo kan een paraplu omhoog houden je ook helpen om niet nat te worden in de regen. De paraplu omhoog houden en een krant boven je hoofd doen kunnen dezelfde functie hebben als het regent (context): namelijk vermijden om nat te worden. Vanuit het functioneel contextualisme is, in dit geval, een krant boven je hoofd en een paraplu boven je hoofd houden ‘hetzelfde gedrag’, ook al ziet het er anders uit. Het heeft namelijk eenzelfde functie binnen de context.

Beide gedragingen hebben dezelfde functie

Het kan ook zo zijn, dat twee gedragingen die hetzelfde eruit zien een verschillende functie kunnen hebben. Neem bijvoorbeeld alcohol drinken. Voor de een is dat iets wat gewoon gezellig is, de ander gebruikt het om er iets mee te vermijden (bijv.: een naar gevoel of een negatief zelfbeeld). We kunnen dus niet per definitie afleiden uit de vorm wat de functie is.

Verschillende functies

Gedrag kan verschillende functies hebben (Barnes-Holmes, Barnes-Holmes, & McEnteggart, 2020). Een van zulke functies is om iets aantrekkelijk te vinden (+). Zo vind ik zeilen heel fijn. Ik vind het aantrekkelijk om het te doen en om er aan te denken, ook het gevoel wat het bij me oproept, is fijn. Zo kan zeilen een contextuele factor zijn die voor mij doorgaans aantrekkelijk is.

We kunnen ook iets naar vinden, dat we willen vermijden. Bijvoorbeeld ik vind kaas heel vies, dat eet ik liever niet. Als dat op het menu staat ga ik kijken of ik iets anders kan krijgen. Alleen al de gedachte aan kaas, daar begin ik al vies van te kijken.

Vaak als we iets willen vermijden, dan is er ook iets aantrekkelijk waarmee we datgene kunnen vermijden. Laten we dit bekijken in ons voorbeeld met de man die een krant boven zijn hoofd houdt in de regen. De regen en de krant zijn beiden contextuele factoren van het gedrag van de man. De man vindt de regen onprettig, dat wil hij vermijden. Dit maakt de krant (contextuele factor) aantrekkelijk, want daarmee kan hij de regen vermijden. Dus in dezelfde overkoepelende context hebben we twee contextuele units met verschillende functies: (1) de regen is vervelend (-); (2) de krant is aantrekkelijk (+)

De regen wil deze man vermijden en de krant is aantrekkelijk

Niet alles wat aantrekkelijk is, is prettig. Het kan voorkomen dat zaken die we normaal gesproken als negatief of onprettig beschouwen, toch aantrekkelijk kunnen zijn. Zo is het voor depressieve mensen ‘aantrekkelijk’ om in bed te blijven liggen of voor een alcoholist ‘aantrekkelijk’ om veel alcohol te drinken. Zij kunnen tegelijk ook het vervelend vinden dat ze het doen. Dat iets aantrekkelijk is, betekent niet dat het altijd leuk vindt om te doen. Bij psychische klachten komt het vaker voor dat bepaalde dingen aantrekkelijk zijn in een samenspel om iets anders te vermijden (bijv. zichzelf of gevoelens).

 We zagen eerder dat gedachten en gevoelens ook context kunnen zijn. Die kunnen we net zo goed aantrekkelijk vinden of het liefst willen vermijden. Bijvoorbeeld, mensen vinden het aantrekkelijk om over zichzelf te denken dat ze intelligent zijn of knap zijn. Dat kunnen aantrekkelijke contextuele factoren zijn. Aan de andere kant kunnen mensen het naar vinden om te denken dat ze waardeloos zijn of slecht zijn. Dat zijn contextuele factoren die men vaak liever vermijdt.

Naast aantrekkelijk (+) en willen vermijden (-) is er ook nog de mogelijkheid dat de context neutraal is (0). Je hoeft het noch te vermijden en vind het ook niet aantrekkelijk. Meestal zijn dingen met neutrale functies niet bijzonder opvallend zijn voor ons.

Er is nog meer over stimulus functies te vertellen. We gaan daar verder op in als we de Relational Frame Theory zelf behandelen.

Geschiedenis en functies

We hebben in de vorige blog gezien dat geschiedenis een belangrijke rol speelt in het Functioneel Contextualisme. De geschiedenis heeft ook een invloed op de functies van het huidige gedrag. Om dit duidelijk te maken pakken we terug op een voorbeeld* uit de vorige blog met Anneke en Pieter in de Bijenkorf. Het verhaal ging als volgt: 

Pieter is in een grote winkel, zo een winkel als de bijenkorf. Terwijl hij door de winkel loopt, hoort hij via de omroep dat er zo meteen het brandalarm wordt getest. Vlak nadat dit is omgeroepen loopt Anneke de winkel binnen. Anneke heeft een jaar geleden een grote brand op kantoor meegemaakt. Het was een nare ervaring, waarbij haar collega’s ernstige brandwonden hebben opgelopen. Ze was er zelf gelukkig goed van af gekomen, maar het heeft wel een indruk bij haar achtergelaten. Nu loopt ze deze winkel binnen, zonder dat ze heeft gehoord dat het brandalarm getest wordt.

Bij het horen van het brandalarm rent Anneke naar buiten. Pieter, daarentegen, loopt langzaam en fluitend de deur uit loopt. Hij was zojuist klaar met winkelen.

Het brandalarm heeft een andere functie voor Pieter, dan voor Anneke.

Het brandalarm heeft verschillende functies voor Pieter dan voor Anneke. Voor Anneke heeft het vermijdende functies en voor Pieter neutraal. De heftige reactie van Anneke komt, onder andere, doordat ze een jaar geleden (geschiedenis) een nare ervaring heeft gehad met een brand. De ontspannen reactie van Peter op het afgaan van het brandalarm komt, doordat hij zojuist (geschiedenis) gewaarschuwd is.

Taal en functies

Wat je in dit voorbeeld ook ziet, is dat niet alleen de geschiedenis, maar ook taal invloed heeft op functies van de context. Als er niet was gezegd door de omroepster, dat het om een test ging, dan was Peter misschien wel in paniek naar buiten gerend. Dan had het brandalarm misschien ook een vermijdende functie voor Pieter gehad. Door de boodschap van de omroepster heeft het brandalarm een andere functie voor Peter gekregen (van vermijden naar neutraal).

Door taal kunnen we dingen aan elkaar relateren. Dingen met verschillende functies, bijv.: Dit alarm (-) is niet gevaarlijk (0). Door deze zin worden ‘het alarm’ en ‘niet gevaarlijk’ aan elkaar gerelateerd en zodoende verandert de functie van het alarm van vermijden (-) naar neutraal (0). Dit is waarom praten met iemand helpt: door het relateren van woorden kan je de functies van je gedrag veranderen.

Dit is waar de Relational Frame Theory onder andere over gaat: hoe we met taal de functies van het gedrag kunnen beïnvloeden. Deze kennis kan zeer waardevol zijn in therapie.

Met iemand praten kan helpen de functies van het gedrag te veranderen

Functies in Therapie

Vanuit het Functioneel Contextualisme is men in therapie niet zo geïnteresseerd in hoe het gedrag eruitziet, de vorm of topografie van het gedrag (paraplu of een krant). Daarentegen is men geïnteresseerd in welke functie het gedrag heeft binnen de context en de leergeschiedenis van de cliënt. De vraag die centraal staat is: wat maakt dat iemand doet wat hij doet, gezien de context en de leergeschiedenis?

Dat vorm en functie niet altijd overeenkomstig zijn, maakt ook dat de DSM binnen het functioneel contextualisme niet bijster interessant is. De DSM is een categorisatie op basis van hoe gedrag het eruit ziet, maar zegt niet zoveel over de functie van het gedrag.

Vanuit de functioneel contextuele visie, is het doel van therapie om de functies van het gedrag zo te veranderen, dat de functies van het gedrag ruimte geven aan de cliënt zelf. Vaak worden de functies voornamelijk bepaald door een bepaalde geschiedenis van de cliënt (zoals in het voorbeeld met Anneke). Therapie is er op gericht om de functies iets minder door deze geschiedenis te laten bepalen. Bijvoorbeeld om Anneke te leren dat ze niet in paniek uit de bijenkorf hoeft weg te rennen als het brandalarm af gaat bij een test, terwijl ze eigenlijk leuk wil gaan shoppen.

Deze functies kan je als therapeut bijvoorbeeld veranderen door een andere context te creëren waarmee de cliënt geconfronteerd wordt, zoals we in een eerdere blog hebben gezien. Daarnaast speelt taal of relateren een belangrijke factor in het veranderen van de functies. Hoe je die functies precies kan veranderen is afhankelijk van wat de leergeschiedenis is geweest en hoe iemand nu over zichzelf denkt (het relateren). Dit laatste kan je inzichtelijk maken met behulp van de Relational Frame Theory.

Er is nog veel meer te vertellen over hoe functies en relateren precies samenhangen en welke invloed dit heeft op therapie. Hier kom we later nog uitgebreid op terug als we de Relational Frame Theory zelf gaan behandelen. Voor het zo ver is, wil ik in de volgende blogs graag nog wat interessante dingen vertellen over het Functioneel Contextualisme zelf.

Volgende blogpost

In een eerder artikel hebben we gezien dat het contextualisme een pragmatisch waarheidscriterium heeft: iets is ‘waar’ is als het werkt voor een doel. Zonder doel is er dus geen waarheid. Het Functioneel Contextualisme heeft ook een doel, namelijk: gedrag voorspellen en beïnvloeden met nauwkeurigheid, bereik en diepte. Om dit doel goed te begrijpen moet ik eerst wat uitleggen over het monisme en het dualisme. Voordat we dat doen, maken we eerst een klein mystiek uitstapje.

Dus we krijgen achtereenvolgens artikelen over:
– mystiek uitstapje
– monisme en dualisme
– doel van het functioneel contextualisme

Vrijwillige bijdrage

Ik vind het belangrijk dat deze kennis vrij toegankelijk is. Vond je dit artikel waardevol? Dan kun je me hieronder steunen met een vrijwillige bijdrage.

 

Referenties

Barnes-Holmes, D. (2000). Behavioral pragmatism: No place for reality and truth. The Behavior Analyst23, 191-202.
Barnes-Holmes, D., Barnes-Holmes, Y., & McEnteggart, C. (2020). Updating RFT (more field than frame) and its implications for process-based therapy. The Psychological Record70, 605-624.

*Het voorbeeld wat hier genoemd is, is geïnspireerd op het voorbeeld wat Dermot Barnes-Holmes (2000) gebruikt in zijn artikel ‘Behavioral pragmatism: No place for reality and truth.’

 

Functioneel Contextualisme: Gedrag als een doorlopende stroom

Functioneel Contextualisme: Gedrag als een doorlopende stroom

Functioneel Contextualisme: Gedrag als een doorlopende stroom

Deze blog is onderdeel van de reeks ‘het RFT-woordenboek‘. RFT staat voor Relational Frame Theory. Dat is een geweldige theorie over hoe taal en ons gedrag samenhangen. RFT kan voor nieuwkomers wat uitdagend zijn om in te komen. Het heeft veel woorden die haast wel een vreemde taal lijken. Daarom zijn deze blogs er, als een soort woordenboek voor RFT. De dikgedrukte woorden in de tekst vind je terug in het woordenboek.

Eerder hebben we gezien dat waarheid afhankelijk kan zijn van je wereldbeeld. Het contextualisme is zo een wereldbeeld. Binnen de psychologie is er een stroming die zich baseert op dit wereldbeeld, genaamd het Functioneel Contextualisme (FC). Het Functioneel Contextualisme is het gedachtegoed waarop de Relational Frame Theory (RFT) en Procesgerichte Interactieve Therapie (PiT) op gebaseerd zijn. In de komende artikelen gaan we dieper in op wat het Functioneel Contextualisme is.

Mocht je het artikel over contextualisme nog niet gelezen hebben, dan is het aan te raden om dat eerst te doen. Klik hier voor het artikel over het contextualisme.

Het contextualisme gaat ervan uit dat alles gezien kan worden als een doorlopende actie in context. In de vorige blog zijn we dieper ingegaan op wat actie in context betekent vanuit het Functioneel Contextualisme. Deze keer gaan we dieper in op hoe het functioneel contextualisme tegen doorlopende karakter van het contextualisme aankijkt en hoe we dit terugzien in gedrag.

Gedrag als een doorlopend proces

Zoals we in eerdere artikelen hebben gezien, kunnen we gedrag zien als een continue dans. Met ons gedrag beïnvloeden we onze context en onze context beïnvloedt ons gedrag. Zo is er een continue wisselwerking tussen context en gedrag. Als we dit betrekken op de dans, dan zijn de bewegingen van onze danspartner onze context: we stemmen onze pasjes af op de passen die onze danspartner zet. En met onze pasjes, beïnvloeden we ook de pasjes van onze danspartner. Onze context beïnvloed ons gedrag en wij beïnvloeden, met ons gedrag, onze context. Deze uitwisseling is als het ware een doorlopende beweging, net als bij de dans.

Gedrag in context is als een dans: een doorlopende wisselwerking

In het vorige artikel hebben we gedrag en de context vanuit verschillende kanten belicht. Hierin hebben we het al kort gehad over het idee dat ons eerdere gedrag een context kan zijn voor ons huidige gedrag. Misschien kan je nog onderstaande voorbeeld herinneren:

De gedachte aan mijn vriendin maakt me blij en verliefd en er verschijnt een glimlach op mijn gezicht. Mijn gedachte aan mijn vriendin is een context voor mijn glimlach.

De gedachte aan mijn vriendin is een context voor mijn glimlach.

Hier zien we al dat het eerdere gedrag (denken aan mijn vriendin) mijn huidige gedrag beïnvloedt (glimlach). Met andere woorden, ik word geconfronteerd met een gedachte aan mijn vriendin (context) en daarop ga ik glimlachen (gedrag). We kunnen dit een historische context noemen, omdat eerder gedrag (historie) een contextuele factor is voor het huidige gedrag.

Laten we kijken naar nog een vergelijkbaar voorbeeld:

Ik loop buiten en hoor de vogels fluiten. Ik word hier blij van. Het blij gevoel maakt dat aan mijn vriendin denk en ik voel liefde voor haar. Ik heb ineens zin om iets lekkers voor haar te koken. Hierop ga ik boodschappen doen, etc….

Een opeenvolging van gedrag-in-contexten

De vogels zijn een context voor mijn blije gevoel. Mijn blije gevoel is een context voor het denken aan mijn vriendin, Mijn blije gevoel en de gedachte aan mijn vriendin is een context voor het denken aan wat ik voor haar ga koken. Dit vormt weer een context voor dat ik boodschappen ga doen, etc.

Zo een opeenvolging van gedrag wordt ook wel een stroom van gedrag genoemd (Barnes-Holmes, 2000). Wat er eerder in deze stroom is gebeurd heeft in bepaalde mate invloed op wat er nu gebeurt: Ik was misschien geen boodschappen gaan doen als ik niet aan mijn vriendin had gedacht of als ik niet buiten was gaan lopen. Wat er eerder is gebeurd heeft invloed op mijn huidige gedrag. Mijn eerdere gedrag wordt ook wel historische context of leergeschiedenis genoemd.

In het vorige artikel hadden we gezien dat gedrag in context ook gezien kan worden als een stimulus-response relatie. Je zou deze stroom ook kunnen zien als een stroom van stimulus-response relaties.

Een opeenvolging van gedrag-in-contexten

Andere geschiedenis is ander gedrag

Deze persoonlijke leergeschiedenis maakt dat de huidige context door verschillende mensen anders beleefd kan worden. Dat zien we terug in het volgende voorbeeld*:

Pieter is in een grote winkel, zo een winkel als de bijenkorf. Terwijl hij door de winkel loopt hoort hij via de omroep dat er zo meteen het brandalarm wordt getest. Vlak nadat dit is omgeroepen loopt Anneke de winkel binnen. Anneke heeft een jaar geleden een grote brand op kantoor meegemaakt. Het was een nare ervaring, waarbij haar collega’s ernstige brandwonden hebben opgelopen. Ze was er zelf gelukkig goed van af gekomen, maar het heeft wel een indruk achtergelaten bij haar. En nu loopt ze deze winkel binnen, zonder dat ze heeft gehoord dat het brandalarm getest wordt.

Bij het horen van het brandalarm rent Anneke rent in naar buiten. En Pieter loopt langzaam en fluitend de deur uit loopt, hij was toch al klaar met winkelen.

We zien hier dat eenzelfde gebeurtenis (het brandalarm) een ander gedrag op roept bij Anneke dan bij Piet. Dit komt door het verschil in geschiedenis. Pieter had een geschiedenis waarin hij hoorde via het omroepsysteem dat het brandalarm getest werd. Anneke heeft dat niet gehoord en had al eerder een nare ervaring met brand gehad (geschiedenis). Gezien de geschiedenis, reageerde Pieter anders op het brandalarm dan Anneke. Omdat het brandalarm niet hetzelfde gedrag oproept, is het een andere context voor Anneke dan voor Pieter (Barnes-Holmes, 2000). Dus: ook al ziet een context hetzelfde eruit (brandalarm), als het een ander gedrag oproept, is het niet dezelfde context.

Binnen het functioneel contextualisme zeggen we ook wel dat het brandalarm een andere functie heeft voor Anneke dan voor Pieter. Voor Anneke had het brandalarm de functie om snel weg te wezen. Voor Pieter had het brandalarm een neutrale functie, hij wandelde rustig naar buiten. Meer over functies en hoe die samenhangen met de leergeschiedenis lees je in het volgende artikel.

Jeugd en gezin

We kunnen de invloed van onze eigen geschiedenis ook zien in ons huidige gedrag. Wat we vroeger hebben meegemaakt, in onze jeugd, heeft ons gevormd tot wie we nu zien. Als kind zijn we in een continue wisselwerking met onze ouders, familie, school, vrienden, etc. Hoe deze wisselwerking is verlopen heeft invloed op hoe we ons nu gedragen. Onze jeugd is onderdeel van onze historische context of leergeschiedenis.

Ook broers en zussen beleven het gezin vanuit hun eigen historische context. Dat betekent dat ze niet dezelfde context en hebben niet dezelfde geschiedenis, ook al leven ze in hetzelfde gezin. Denk aan het brandalarm: Ook al delen ze eenzelfde uiterlijke context, deze context kan bij ieder in het gezin een ander gedrag oproepen, omdat we de situatie net anders beleven.

Stroom van gedrag

We hebben nu een aantal voorbeelden gezien waarbij we gedrag zien als een doorlopende wisselwerking tussen context en gedrag. Deze doorlopende wisselwerking kan je zien als een stroom (Barnes-Holmes, 2000). Een stroom, zoals een rivier, komt van de bergen. Misschien waren het hoge bergen of lage bergen. Misschien heeft het onderweg veel geregend of juist weinig. De stroom heeft een geschiedenis en dat beïnvloedt hoe de stroom zich nu beweegt (bijv.: snel of juist langzaam).

Zo heeft iedereen heeft zijn eigen stroom. Iedereen beleeft zijn leven vanuit zijn eigen stroom. Anneke en Pieter beleefde het brandalarm vanuit hun eigen stroom van gedrag.

Gedrag is als een stroom

Geschiedenis en Therapie

Wat zegt dit over therapie? Vanuit het Functioneel Contextualisme heeft de leergeschiedenis een belangrijke invloed op het huidige gedrag van de cliënt. Daarom wil je als therapeut graag weten hoe het eerdere gedrag eruit zag (bijv. in de jeugd) en hoe de context er toen uit zag (bijv. familiesituatie). Het beantwoorden van deze vragen helpt je om het huidige gedrag beter te begrijpen.

Dat betekent overigens niet dat je direct de geschiedenis hoeft uit te vragen. Het betekent eerder dat je er vanuit gaat dat het huidige gedrag voortkomt uit een geschiedenis, waardoor iemand nu doet wat hij doet.

Zo had ik een cliënt die, elke keer als ik contact met haar maakte, in haar hoofd schoot. Ik wist nog niet wat haar geschiedenis was en ik vond het nog niet het moment om dat te vragen. Wat ik wel heb gedaan is het volgende: ik heb het met haar erover gehad dat dit gedrag misschien wel een reden heeft dat ze dat doet, ook al weten we nog niet wat deze reden is.

Ik herinner me nog dat ze zei: ‘Ja, dat wil ik graag begrijpen!’ Daarop zei ik: ‘Dat snap ik, alleen dat weten we nu nog niet. We weten alleen dat het heel waarschijnlijk is dat er reden is dat je dit doet, welke reden dat precies is, dat weten we niet’.

Zodra ze kon loslaten dat ze de reden nu nog niet hoefde te weten gebeurde er iets. Dat er reden was, ook al wist ze die nog niet, maakte dat ze het een beetje kon accepteren dat ze zo in haar hoofd schoot en er meer ruimte ontstond om te kijken naar dit gedrag.

In dit voorbeeld wist ik nog niet wat de geschiedenis was, ik wist wel dat de geschiedenis heeft bijgedragen aan dit gedrag. Ik heb, voor nu, de dynamiek zo bewogen, dat er later ruimte is om te kijken wat er in haar verleden is gebeurd dat ze nu in haar hoofd schiet.

Wat ik met dit voorbeeld wil laten zien, is dat er andere mogelijkheden zijn om met deze geschiedenis om te gaan, dan om het aan het begin direct uit te vragen. Ik heb het nu zo ingezet dat het later mogelijk ruimte geeft aan een gedragsverandering.

Gedragsverandering: de stroom van richting laten veranderen

Gedragsverandering kun je zien als of de doorlopende stroom van richting verandert. De geschiedenis maakt dat deze stroom een bepaalde kracht en een bepaalde richting heeft. Deze stroom is niet zomaar van richting te veranderen.

Als we terugpakken op het laatste voorbeeld, met de cliënt die snel in haar hoofd schiet en veel denkt. Stel dat ik zo iets zou zeggen als: ‘Stop maar even met denken.’ Zou dat lukken? Ik denk het niet. Het denken is voor deze cliënt een stroom die niet zomaar van richting verandert. Het heeft ook reden waarom ze dit doet, dus dit gedrag zal niet zomaar stoppen. Zelfs als ze van zichzelf vindt dat het NU moet stoppen, dan nog stopt het niet.

Gedrag heeft een bepaalde vaart, een bepaalde kracht, net zoals een rivier die van een berg stroomt. Deze stroom buig je niet in één keer om. Veel cliënten willen zo snel mogelijk van hun klachten af. Maar ik verwacht niet dat ze zo snel veranderen. Sterker nog, ze hoeven van mij niet eens te veranderen (dat is een ander verhaal, meer daarover kan je hier lezen). Omdat het gedrag een historische reden heeft én met een bepaalde vaart doordendert, verwacht ik niet dat het gedrag zo makkelijk om te buigen is.

 

Net als een stroom, heeft gedrag een bepaalde vaart

Als dat gedrag zo een vaart heeft, dan hebben grote interventies niet altijd een groot effect. Een grote steen in een rivier werpen, daar gaat de rivier omheen en stroomt daarna weer zijn oude weg. Zo een grote steen geeft je ook niet heel veel mogelijkheden in het veranderen van de stroom. Als je een grote interventie doet, dan kan het zijn dat je cliënt zich even anders gedraagt of voelt, maar op lange termijn zijn oude gedrag (stroom) weer oppakt.

Een grote interventie hoeft niet per se een groot effect te hebben.

Laten we dat ook vertalen naar onze stroom van stimulus-response relaties. Je kunt je voorstellen dat als iemand even geconfronteerd wordt met een andere stimulus, dat hij dan een andere response geeft: hij laat ander gedrag zien. Alleen, niet veel later zal de stimulus-response stroom weer zijn oude weg gaan.

Een eenmalige stimulus geeft een knikje in de stroom.

Heel veel kleine steentjes in de rivier gooien op plekken waar je ze precies wil hebben, daardoor kan je de rivier van richting laten veranderen. Zo kan je het ook zien met de stroom van gedrag. Door kleine dingen te doen kan je langzaam deze stroom van richting laten veranderen.

Wat bedoel ik met kleine dingen? Een voorbeeld van wat ik vaker doe, is dat ik kleine complimentjes geef als mensen binnenkomen. Meestal iets over hun kleding of zo: ‘Leuke kleur die trui, staat je goed!’ De eerste keer gebeurt er niet zo veel en gaat de stroom weer z’n gewone weg. De cliënt zegt dan misschien zo iets als: ‘O ja, die heb ik gewoon maar bij de kringloop gekocht hoor’. Maar als ik veel van die kleine dingen doe, verandert de stroom op een gegeven moment van richting. Als ik hetzelfde compliment veel later, tegen het einde van de therapie, nog eens maak, krijg ik een reactie als: Oh, dankjewel, ja ik ben er ook erg blij mee. In de tussentijd hebben al die kleine complimentjes aan deze verandering bijgedragen.

Zo zijn er heel veel kleine dingen die ik doe: Zo zeg ik vaak ‘Fijn om je weer te zien’, ik heet mensen welkom, schenk wat te drinken in, ik voer therapie in een huiselijke ruimte, er staan geen tafels tussen mij en de cliënt in, etc. Eigenlijk bestaan al mijn sessies uit een aaneenschakeling van allemaal kleine dingen. Ik krijg dan ook vaak aan het einde van een traject te horen van cliënten: ‘Het gaat echt beter met me, maar ik weet niet hoe dat gekomen is’. Dat is gekomen door allemaal kleine dingen, zonder één groot aanwijsbaar iets.

Heel veel kleine interventies kunnen de stroom van richting laten veranderen.

Laten we deze variant ook vertalen naar onze stroom van stimulus-response relaties. Je kunt je voorstellen dat als iemand herhaaldelijk geconfronteerd wordt met een andere stimulus, misschien net elke keer op een andere manier, dat de hele stimulus-response stroom dan van richting verandert. Hij gaat langdurig ander gedrag laten zien.

Kleine steentjes kunnen de stimulus-response stroom van richting laten veranderen.

Overigens is het zo dat de eerste kleine steen die je in het water gooit, niet zoveel doen. Vanuit dit perspectief hoeft er in het begin niet veel te gebeuren in de therapie, want dan ben je nog de eerste steentjes aan het leggen, terwijl de stroom op z’n oude manier door dendert. Deze manier van werken vraagt geduld en vertrouwen van zowel de cliënt als de therapeut.

Geen protocollen

Vanuit het functioneel contextualisme is een protocol een beetje een vreemde gedachte. Iedere methode is als het brandalarm. Uiterlijk kan het hetzelfde eruit zien, maar het kan een ander gedrag oproepen bij de een dan bij de ander. Vanuit het functioneel contextualisme verwacht je niet dat elke interventie of methode hetzelfde effect heeft bij iedereen. Alles wat je doet en zegt, is maatwerk, afgestemd op de persoon. Elk klein steentje gooi je precies daar, waar hij passend is voor de cliënt. Zo sluit je aan bij het gedrag en de geschiedenis van de individuele cliënt. Je behandelt iedereen vanuit zijn eigen stroom.

Als therapeut heb je zelf ook een stroom van gedrag. Je hebt ook een persoonlijke en unieke stroom. Dus de manier waarop jij therapie geeft, zo kan niemand anders dat doen. Marjolein Vleugel is een goede collega en vriendin van me. We zeggen wel eens tegen elkaar dat we hetzelfde doen. In onze gesprekken over het werk merken we ook dat we dezelfde uitgangspunten hebben. Alleen we hebben ook onze eigen stijl en voorkeuren. Zo ben ik bijvoorbeeld vaak iets directer in mijn aanpak en zij is vaak wat subtieler in haar aanpak. Binnen het Functioneel Contextualisme is dat geen enkel probleem. We hoeven niet hetzelfde te doen, om toch hetzelfde te bereiken. In het volgende artikel gaan we hier verder op in.

Volgende artikel

Volgende keer gaan we het dus hebben over waar het woord ‘Functioneel’ voor staat in ‘Functioneel Contextualisme. Wat is de functie van gedrag en waarom is het belangrijk?

Meer weten over deze manier van werken?

Wil je ook op deze manier leren therapie te geven? Kom dan naar de cursus: Relational Frame Theory in de Praktijk of volg de 3-jarige opleiding in Procesgerichte Interactieve Therapie.

Vrijwillige bijdrage

Ik vind het belangrijk dat deze kennis vrij toegankelijk is. Vond je dit artikel waardevol? Dan kun je me hier steunen met een vrijwillige bijdrage.

*Het voorbeeld wat hier genoemd is, is geïnspireerd op het voorbeeld wat Dermot Barnes-Holmes (2000) gebruikt in zijn artikel ‘Behavioral pragmatism: No place for reality and truth.’

Referenties

Barnes-Holmes, D. (2000). Behavioral pragmatism: No place for reality and truth. The Behavior Analyst23, 191-202.

Pepper, S. C. (1942). World hypotheses: A study in evidence (Vol. 31). Univ of California Press.

 

Functioneel Contextualisme: Gedrag in Context

Functioneel Contextualisme: Gedrag in Context

Functioneel Contextualisme: Gedrag in Context

Deze blog is onderdeel van de reeks ‘het RFT-woordenboek‘. RFT staat voor Relational Frame Theory. Dat is een geweldige theorie over hoe taal en ons gedrag samenhangen. RFT kan voor nieuwkomers wat uitdagend zijn om in te komen. Het heeft veel woorden die haast wel een vreemde taal lijken. Daarom zijn deze blogs er, als een soort woordenboek voor RFT. De dikgedrukte woorden in de tekst vind je terug in het woordenboek.

Eerder hebben we gezien dat waarheid afhankelijk kan zijn van je wereldbeeld. Het contextualisme is zo een wereldbeeld. Binnen de psychologie is er een stroming die zich baseert op dit wereldbeeld, genaamd het Functioneel Contextualisme (FC). Het Functioneel Contextualisme is het gedachtegoed waarop de Relational Frame Theory (RFT) en Procesgerichte Interactieve Therapie (PiT) op gebaseerd zijn. In de komende artikelen gaan we dieper in op wat het Functioneel Contextualisme is. In deze blog leg ik je uit hoe het Functioneel Contextualisme gedrag en context ziet en zal ik dieper ingaan op welke plek de therapeut hierin inneemt.

Mocht je het artikel over contextualisme nog niet gelezen hebben, dan is het aan te raden om dat eerst te doen. Klik hier voor het artikel over het contextualisme.

Gedrag in context

Het Functioneel Contextualisme is een vorm van het contextualisme. Het contextualisme is een wereldbeeld wat er vanuit gaat dat alles beschouwd kan worden als een actie in context. De actie en de context zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en vormen samen één geheel. In het artikel over contextualisme hebben we gezien dat van tevoren niet vast staat wat actie is en wat context is. Alles kan in wezen actie of context zijn. De actie is meestal datgene waarin men primair geïnteresseerd in is. De mensen die het functioneel contextualisme bedacht hebben waren wetenschappers en behandelaren in de psychologie, die primair geïnteresseerd waren in het gedrag (van mensen). Zodoende is gedrag de actie en al het overige is context voor het gedrag. Het functioneel contextualisme richt zich dus op gedrag in context. Laten we dit eens bekijken aan de hand van een ons eerdere voorbeeld uit het artikel over het contextualisme: de man in de regen.

Doet een krant boven zijn hoofd (gedrag) in de regen (context)

Iemand loopt in de regen met een krant boven zijn hoofd. Het gedrag van deze persoon is dat hij een krant boven zijn hoofd houdt in de context van de regen. Zoals we eerder bij het contextualisme hebben gezien, zou het heel raar zijn om dit gedrag los te zien de regen. Dan zouden we alleen iemand zien die een krant boven zijn hoofd houdt.

De krant boven het hoofd houden is alleen logisch als we de context meenemen waarin dat gebeurt, namelijk de regen. De krant boven het hoofd houden en de regen vormen samen één logisch geheel. Anders gezegd, het gedrag en de context vormen één geheel. Als een functioneel contextualist ‘gedrag’ zegt, dan bedoelt hij impliciet gedrag-in-context, want het gedrag en de context zijn voor hem onlosmakelijk met elkaar verbonden (Gifford & Hayes, 1999, De Groot et al., 2015).

Gedrag zonder context is vreemd

Stimulus – Response

Een andere benaming voor gedrag in context is ‘stimulus – response relatie’. Een stimulus is iets waar je mee geconfronteerd wordt, hetgeen wat je stimuleert. De response is hoe je interacteert met datgene waar je mee geconfronteerd wordt (de stimulus). De stimulus – response relatie beschrijft deze dynamiek. ‘Stimulus’ en ‘context’ verwijzen naar hetzelfde: iets waar je mee geconfronteerd wordt. Gedrag en response verwijzen ook naar hetzelfde: de manier waarop je interacteert met datgene waar je mee geconfronteerd wordt.

Gedrag/Response is alles wat je doet

We zijn gewend om over gedrag te praten alsof het anders is dan denken en voelen. Met gedrag wordt in de spreektaal meestal uiterlijk waarneembaar gedrag bedoelt, wat ik iemand zie doen. Bijvoorbeeld, Ik kan zien dat iemand hout zaagt, dat is uiterlijk gedrag. Ik kan niet zien dat iemand denkt over hoe lekker het weer is, terwijl hij hout zaagt. Binnen het Functioneel Contextualisme ziet men dat anders.

Het Functioneel Contextualisme ziet men denken, voelen en doen allemaal als gedrag. Er wordt hierin geen onderscheid gemaakt. Het zijn namelijk allemaal manieren om met de context om te gaan. Dat iemand denkt ‘hmmm, wat een lekker zonnetje’ is een logisch gedrag in de context van lekker weer. Dat is niet heel veel anders dan met houthakken in de context dat iemand misschien een lekker vuurtje wil stoken ‘s avonds en dat het nu lekker weer is om buiten hout te hakken.

Context/Stimulus: datgene waar je mee geconfronteerd wordt

Een andere manier om gedrag in context te begrijpen is als volgt: we doen altijd iets aan de hand van waarmee we geconfronteerd worden (Gardner, 1989). Datgene waarmee we geconfronteerd worden kunnen we de context noemen. Confrontatie heeft een beetje een negatieve lading, maar in dit geval bedoel ik dat niet zo. Ik bedoel daarmee dat we niet in een leegte leven. Integendeel, in ons en om ons heen zijn er continu gebeurtenissen die we tegenkomen waarmee we geconfronteerd worden en mee interacteren. Je wordt bijvoorbeeld nu geconfronteerd met deze tekst en je interacteert er mee. Je leest het, je probeert het misschien te begrijpen, misschien is er een gevoel van herkenning, of misschien wel verwarring. Hoe dan ook, je doet iets met deze tekst en de tekst doet iets met jou. Je wordt met iets geconfronteerd en je doet er iets mee. Dat gebeurt niet alleen met de regen of deze tekst, maar dat gebeurt met alles waarmee we geconfronteerd worden in ons leven, in ons en om ons heen.

Context/Stimulus binnen ons

De regen en de tekst waren zaken die buiten ons gebeuren, waarmee we geconfronteerd worden. Er zijn ook gebeurtenissen in onszelf denkbaar waarmee we geconfronteerd worden, waar we iets mee doen. Ons eerdere gedrag, zoals gevoelens en gedachten, kunnen context of stimuli zijn voor ons huidige gedrag of response. Laat ik dit duidelijk maken met een voorbeeld:

De gedachte aan mijn vriendin maakt me blij en verliefd en ik ga lekker tegen haar aan liggen. De gedachte aan mijn vriendin is een context of een stimulus voor mijn blijdschap en gevoel van liefde. Deze gebeurtenis is op zijn beurt een context/stimulus voor het gedrag dat ik tegen haar aan ga liggen.

 

De gedachte aan mijn vriendin is een context voor mijn glimlach

We kunnen dit een historische context noemen, omdat eerder gedrag (historie) een contextuele factor is voor het huidige gedrag. Dit onderwerp verdient zijn eigen artikel, dus in het volgende artikel gaan we hier verder op in.

Andere gebeurtenissen die binnen ons gebeuren zijn biologische processen, zoals onze hormoonhuishouding, ons DNA, of neurologische activatie. Biologische processen die invloed hebben op gedrag worden ook gezien als context voor gedrag (Biglan & Hayes, 2015). Belangrijk om te melden is dat de biologische processen dus geen oorzaak zijn voor het gedrag, maar slechts één van de contextuele factoren die het gedrag kunnen beïnvloeden.

Ik hoop dat je een beetje een beeld hebt met wat er bedoeld wordt met gedrag en met context. Laten we nu kijken wat dit betekent voor de rol van de therapeut.

De therapeut is context van de cliënt

Tijdens therapie wordt de cliënt geconfronteerd met de therapeut en daar moet de cliënt iets mee. Zodoende is de therapeut een onderdeel van de context van de cliënt z’n gedrag (Hayes & Hayes, 1992). Deze confrontatie met de therapeut is een continu proces in therapie. Wat je als therapeut doet, heeft van moment tot moment (doorlopend) invloed op de cliënt. Ook kleine dingen kunnen hierbij een invloed hebben (bijv.: een kopje thee inschenken, welkom heten, hoe je erbij zit, hoe je jezelf voelt, etc.).

Natuurlijk wordt de therapeut op zijn beurt geconfronteerd met de cliënt. Als de cliënt iets zegt of doet, dan moet de therapeut iets mee. Op deze manier heeft de cliënt logischer wijs ook invloed op het gedrag van de therapeut. De cliënt is daarmee de context van de therapeut. De therapeut en de cliënt zijn elkaars context voor hun eigen gedrag.

Je kan de therapie zien als een dans, waarbij de therapeut een stap zet, daarop zet de cliënt een stap, de therapeut weer, dit gaat zo door in een continue dynamiek waarbij de cliënt en de therapeut met elkaar geconfronteerd worden. De kunst is, voor de therapeut, om deze beweging, deze dans, vanuit deze doorlopende interactie een richting te geven die helpend is voor de cliënt.

 

Gedrag – in – context (of stimulus – response relatie) is een continue dynamiek.

Dit betekent dat niet alleen de methodes van de therapeut belangrijk zijn. Nee, alles wat de therapeut doet en is, is van belang. Want de cliënt wordt met de héle therapeut geconfronteerd. Eigenlijk is de therapeut de interventie. Zelfs als je als therapeut niks doet, roept dat nog steeds een gedrag op bij de cliënt. Stel je maar voor dat een therapeut niks zegt en je aankijkt, dat doet iets met je, als cliënt. Dus wat je als therapeut ook doet, niks of iets, de cliënt wordt geconfronteerd met jou als therapeut. De therapeut zelf is dus van wezenlijk belang in de interactie met de cliënt.

Omdat de therapeut zelf zo een wezenlijk onderdeel vormt bij therapie, is het voor de therapeut gunstig om zichzelf en zijn eigen gedrag te kennen. Dat kan gedrag zijn wat je als therapeut misschien nog onbewust doet, bijvoorbeeld strategieën die je hebt om pijnlijke ervaringen te vermijden (bijv.: afgewezen worden). Ook met dit gedrag van de therapeut kan de cliënt geconfronteerd worden, zonder dat je daar zelf erg in hebt. Daarom is het vanuit deze visie verstandig om leertherapie en supervisie te volgen, of te sparren met fijne collega’s, etc. Zo leer je jezelf steeds beter kennen als therapeut en heb je meer keuzes om bepaald gedrag wel of niet te doen in interactie met je cliënt. Op deze manier kan je de therapeutische interactie gerichter vormgeven.

Aan de andere kant is het ook zo dat de cliënt geconfronteerd wordt met aspecten van jou als therapeut, waar je zelf niks aan kan veranderen. Bijvoorbeeld, of je dezelfde taal spreekt (bijv. dialect), van welke afkomst je bent, je gender, je culturele achtergrond, noem maar op. Dit kan allemaal van invloed zijn op hoe de cliënt met jou als therapeut interacteert. Een cliënt kan zich soms meer op z’n gemak of veiliger voelen bij iemand die overeenkomt met zichzelf. Het kan fijn zijn om niet alles te hoeven uitleggen, juist omdat je ervaringen of een cultuur deelt. Of dat je als therapeut juist bepaalde woorden uit je dialect kan gebruiken die goed aanslaan bij de cliënt. Er wordt wel eens gezegd dat er een klik moet zijn tussen de therapeut en de cliënt. Dit zijn dingen die de klik tussen therapeut en cliënt kunnen versterken.

De cliënt is ook een stimulus/context voor de therapeut

Samenvatting

We hebben in dit eerste deel gezien hoe het Functioneel Contextualisme de ‘actie in context’ interpreteert. We hebben gezien dat gedrag waar men in geïnteresseerd is als de actie wordt gezien en de rest als context. Het Functioneel Contextualisme ziet alles wat iemand doet als gedrag, ook denken en voelen.

Context kan worden gezien als datgene waarmee iemand geconfronteerd wordt. Deze context kan zowel binnen de persoon als buiten de persoon plaatsvinden. In therapie is de therapeut onderdeel van de context van de cliënt. Op zijn beurt is de cliënt de context van de therapeut. Op deze manier interacteren de therapeut en cliënt met elkaar in een doorlopende interactie. Deze interactie kan gezien worden als een dans tussen therapeut en cliënt.

Volgende artikel

Zoals we hebben gezien in het artikel over het contextualisme, is de actie in context een doorlopend, continu proces. In het volgende artikel we dieper in op hoe het Functioneel Contextualisme omgaat met dit doorlopende karakter van het contextualisme.

Vrijwillige bijdrage

Ik vind het belangrijk dat deze kennis vrij toegankelijk is. Vond je dit artikel waardevol? Dan kun je me hier steunen met een vrijwillige bijdrage.

Referenties

Biglan, A., & Hayes, S. C. (2015). Functional contextualism and contextual behavioral science. The Wiley handbook of contextual behavioral science, 37-61.

De Groot, F., Corthouts, J., A-Tjak, J., Kleen, M., & Rokx, A. (2015). Theoretische achtergronden van ACT. Acceptance & Commitment Therapy: Theorie en praktijk, 3-11.

Gardner, W. M. (1989). A comparison of Skinner’s “Verbal Behavior” to Kantor’s “Psychological Linguistics.” Unpublished manuscript, Jacksonville State University.

Gifford, E. V., & Hayes, S. C. (1999). Functional contextualism: A pragmatic philosophy for behavioral science. In Handbook of behaviorism (pp. 285-327). Academic Press.

Hayes, S. C., & Hayes, L. J. (1992). Some clinical implications of contextualistic behaviorism: The example of cognition. Behavior Therapy23(2), 225-249.